Defensie bevestigt doden in Irak door aanval Nederlandse F-16

Bij zeker twee aanvallen van Nederlandse F-16’s op IS-doelen zijn burgerslachtoffers gevallen. Dat schrijft minister Ank Bijleveld (Defensie) in een brief aan de Tweede Kamer. Het is voor het eerst dat het ministerie hier openheid over geeft. Het kabinet onderzoekt of de nabestaanden een schadevergoeding krijgen.

F-16. Beeld ANP

Het kabinet erkent dat er bij een luchtmachtaanval op een bommenfabriek in het Iraakse Hawija in de nacht van 2 op 3 juni 2015 zeker 70 slachtoffers zijn gevallen. Het gaat zowel om IS-strijders als om onschuldige burgers. Door de explosie van de fabriek vloog een deel van de omliggende woonwijk mee de lucht in.

Een tweede keer dat er burgerslachtoffers vielen was in de nacht van 20 op 21 september 2015. Toen werd een aanval uitgevoerd op een vermeend hoofdkwartier van IS in Mosul. Dat bleek achteraf een woonhuis te zijn. Waarschijnlijk kwamen daarbij vier mensen om.

Defensieminister Bijleveld zegt de slachtoffers ‘ten zeerste te betreuren’. “Dit is extra wrang wanneer ons handelen erop gericht was om zo veel mogelijk nevenschade, en bij uitstek burgerslachtoffers, te voorkomen. Het betrof hier echter een oorlogssituatie waarbij deze risico’s nooit volledig kunnen worden uitgesloten.’’

Schadevergoeding

Het kabinet onderzoekt of er schadevergoeding kan worden uitgekeerd aan de nabestaanden, schrijft Bijleveld. “Op dit moment worden de mogelijkheden daartoe richting de gemeenschappen in kwestie onderzocht.’’

Wel benadrukt de minister dat Nederland daar niet toe verplicht is. De Nederlandse F16's streden op verzoek van Irak mee tegen IS. De Iraakse autoriteiten moesten toestemming geven om doelwitten aan te vallen. Op grond van het internationaal recht moeten nabestaanden zich dan ook ‘in eerste instantie’ tot de Iraakse overheid wenden, schrijft de bewindsvrouw. Dat laat onverlet dat Nederland ‘op vrijwillige basis’ toch gaat kijken of het iets kan doen.

De twee bewuste luchtmachtaanvallen zijn (net als twee andere aanvallen waarbij werd gedacht dat er burgerslachtoffers waren gevallen) onderzocht door het Openbaar Ministerie. Bijleveld benadrukt dat er daarbij geen strafbare feiten zijn geconstateerd.

Inschatting

Bij de aanval op de fabriek in Hawija was een verkeerde inschatting gemaakt over het gevaar voor omwonenden, stelt Bijleveld. Voorafgaand aan de aanval was op basis van de bij Nederland beschikbare inlichtingen geen indicatie dat er burgerslachtoffers zouden vallen. De dichtstbijzijnde woonhuizen stonden buiten het vooraf voorziene schadegebied. De explosie was echter vele malen groter dan gedacht omdat er veel meer explosieven bleken te liggen dan vooraf was ingeschat. Daardoor werd een veel groter gebied vernietigd.

Bij de aanval op het vermeende IS-hoofdkwartier in Mosul kreeg Nederland pas achteraf van de Amerikanen te horen dat het om een woonhuis ging waar burgers woonden. Daarnaast heeft het OM nog twee andere aanvallen onderzocht. Bij een daarvan werd een gebouw aangevallen terwijl er onverwacht een auto langsreed. Het vierde geval betrof een fout van een F16 waarbij het verkeerde gebouw werd gebombardeerd. Dat bleek een onbewoond gebouw te zijn dat naast het eigenlijke doelwit stond.

Verkeerd geïnformeerd

Pijnlijk is dat de voorgaande minister van Defensie, Jeanine Hennis, de Tweede Kamer daar destijds verkeerd over heeft geïnformeerd. Op 23 juni 2015 stelde zij in antwoord op Kamervragen dat ‘voor zover op dat moment bekend, er geen sprake was geweest van Nederlandse betrokkenheid bij burgerslachtoffers door luchtaanvallen in Irak.’ Bijleveld schrijft nu dat het ministerie op dat moment al van de Amerikanen had gehoord dat bij de aanval op Hawija waarschijnlijk wel degelijk burgers waren omgekomen.

Bijleveld stelt in een toelichting dat dit destijds door haar voorganger ‘niet zo geformuleerd had moeten worden.’ Ook als Defensie wel wist dat er burgerdoden waren, had het die informatie toen niet kunnen geven. Het antwoord op de Kamervragen had moeten zijn dat het ministerie er niets over kon zeggen.

De Nederlandse luchtmacht was in twee periodes actief in de strijd tegen terreurorganisatie IS. De eerste keer van oktober 2014 tot en met juni 2016 en de tweede keer van januari 2018 tot en met december 2018. Er werd gevochten in zowel Irak als Syrië. In totaal hebben Nederlandse gevechtsvliegtuigen zo’n 3000 missies uitgevoerd, waarbij meer dan 2100 keer wapens zijn ingezet.

Volgens Bijleveld was het niet mogelijk om tijdens de periode dat onze vliegers actief waren al openheid te geven over de burgerslachtoffers. Het ‘vrijgeven van de exacte locatie, datum en het vermoedelijke aantal burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet’ zou een te groot risico vormen. Ten eerste voor de Nederlandse F-16-piloten zelf en hun thuisfront die doelwit zouden kunnen worden van wraakacties. Ten tweede zou het ook onze partners in gevaar kunnen brengen omdat dit soort informatie ‘inzicht had kunnen geven in de operationele afwegingen, procedures en andere operationele details.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden