Plus Geschiedenis

De hemelkaart in Paleis op de Dam zag er vroeger heel anders uit

Drie ronde mozaïeken in de Burger­zaal van het Paleis op de Dam tonen de wereld en de sterrenhemel. De hemelkaart zag er vroeger echter heel anders uit. Deze zomer toont het paleis een reconstructie van de oorspronkelijke kaart uit 1655.

De Burgerzaal in het Paleis op de Dam. De vloer ging meer dan een eeuw verscholen onder hout en tapijten. Beeld Koninklijk Paleis Amsterdam /Arjan Benning

Donderdag 29 juli 1655 was voor ­Amsterdams beroemdste cartograaf, Joan Blaeu, een dag met een gouden randje: het nieuwe stadhuis op de Dam werd ingewijd. Blaeu had voor dit ‘achtste wereldwonder’ van architect Jacob van Campen drie grote, ronde mozaïeken van de wereld en de sterrenhemel bedacht voor de vloer van de Burgerzaal. Er is geen beeldspraak te vinden die duidelijker vertelt hoe de stad zichzelf zag in deze tijd: Amsterdam had de wereld aan zijn voeten.

Het is geen wonder dat het stadsbestuur aan Joan Blaeu de opdracht gunde om de vloerkaarten te maken. Amsterdam was het belangrijkste centrum voor cartografie ter wereld; de vele uitgeverijen, gevestigd in de directe omgeving van het stadhuis, publiceerden een onvoorstelbare hoeveelheid kaarten en atlassen. En Blaeu was de beste en belangrijkste van allemaal. In 1648 had hij een wereldkaart van liefst twee bij drie meter gemaakt, de grootste ooit, state of the art, met de allerlaatste geografische ontdekkingen.

Die kaart moest als voorbeeld dienen voor de twee buitenste mozaïekkaarten: het oostelijk en het westelijk halfrond. Op 28 december 1652 deed het stadsbestuur een betaling aan Blaeu voor het ontwerp van de drie kaarten, de handwerksman Jan Wybrandts Colck maakte ze.

Minimalistisch

Onlangs is ontdekt dat de sterrenhemelkaart in het midden van de vloer er oorspronkelijk heel anders uitzag. Die oogt tegenwoordig nogal kaal, waarbij in het witte marmer vooral de 792 messing sterren opvallen, elk op een eigen plek aan het firmament. Hoe helderder aan de ­hemel, hoe groter.

Tussen die sterren zijn delen van sterrenbeelden te herkennen, ook van messing. Sterrenbeelden als Orion, Grote Beer en Weegschaal werden op oude kaarten als beeldende figuren ingetekend, maar vreemd genoeg zijn in de paleis­vloer alleen hun attributen te zien, zoals de knots van Hercules, niet de Griekse held zelf.

De wat minimalistische hemelkaart die we nu zien, toonde dus ooit een indrukwekkende wirwar van mythologische helden en heldinnen, dieren en objecten.

Gekleurd cement

Een krappe eeuw na de feestelijke opening waren de vloerkaarten in een deerniswekkende toestand geraakt. De schilderingen waren weggesleten. In 1742 stelde het stadsbestuur Jacob Martens, die wiskunde, sterrenkunde en zeevaartkunde aan het Athenaeum Illustre onderwees, aan om de mappa mundi te repareren.

 De eerste inzet was om de oude wereldkaarten te herstellen, maar al snel werd begonnen aan ­geheel nieuwe mozaïeken. Het karwei nam ­zeven jaar in beslag. Medewerkers van steenhouwer Hendrik Knoop hakten bijna 800 vierhoekige marmeren tegels en losse onderdelen, die de basis van de aardglobes vormden. Intussen werkte Martens met kaartenmaker Hendrik de Leth aan de nieuwe wereldkaarten.

Het stadsbestuur zocht naar een duurzamer manier om de kaarten gestalte te geven. De lijnen moesten niet worden geschilderd, maar uitgehakt in het marmer. Jan van Dijk, kunstenaar en opzichter van de kunstcollectie van de stad, werd aangesteld om die lijnen te vullen met gekleurd cement. Hij experimenteerde met een ‘durabel’ cement in vier kleuren. In een kamer met een kacheltje op de derde verdieping deed hij zijn werk. Die kachel diende om de marmeren tegels en de vulstof te verhitten.

Houten vloer

Martens en De Leth verwerkten in de twee wereldmozaïeken de recentste geografische kennis van hun tijd. De contouren van de Kaspische Zee en het Koreaanse schiereiland, bijvoorbeeld. Nadat er zoveel tijd, moeite en middelen in de nieuwe kaarten waren gestoken, werden ze om onduidelijke redenen niet in de vloer gelegd. Er was in die jaren flink wat politieke onrust en oproer in de stad, waardoor de kaarten mogelijk uit de aandacht van de stadsbestuurders waren verdwenen. Die bleven zo bewaard in hun kamertje op de derde verdieping.

In 1808 braken nieuwe tijden aan: koning Lodewijk Napoleon nam het stadhuis in gebruik. De twee wereldkaarten werden in de vloer van de Grote Krijgsraadzaal op de derde verdieping gelegd, die werd ingericht als Koninklijk Museum. De fameuze sterrenhemelkaart in het midden van de Burgerzaal verdween onder een houten vloer en tapijten, toen deze ruimte de functie kreeg van Grote Ontvangstzaal.

In 1936 verkocht de stad Amsterdam het paleis aan het Rijk en kort na de verkoop begon een grootscheepse restauratie. Het doel was om het uiterlijk van de Burgerzaal, de galerijen en de omringende zalen zoveel mogelijk terug te brengen naar de situatie in de 17de eeuw. Er gingen toen ook al stemmen op om de 18de-eeuwse wereldkaarten over te brengen naar de zaal. Dat gebeurde uiteindelijk pas in 1953, waarmee het project van Jacob van Campen – het ‘universum van Amsterdam’ – weer compleet was.

Alice Taatgen is conservator tentoonstellingen en educatie in het Paleis op de Dam. In het juninummer van Ons Amsterdam staat een uitgebreide versie van dit artikel.

Reconstructie

Het Koninklijk Paleis Amsterdam op de Dam huist van 28 juni tot en met 22 september de tentoonstelling Het Universum van Amsterdam. Schatten uit de Gouden Eeuw van de cartografie. Met lichtprojecties wordt een reconstructie getoond van het oorspronkelijke uiterlijk van de sterrenhemelkaart. Open dagelijks tussen 10.00 en 17.00 uur.

Meer informatie: paleisamsterdam.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden