Plus Interview

D66-Kamerlid Salima Belhaj: ‘Ik ken geen rancune’

D66-Kamerlid Salima Belhaj had Alexander Pechtold willen opvolgen als fractieleider, maar werd gepasseerd. Nu blikt ze terug: ‘Ik ken geen rancune, mijn hele leven al niet.’

D66-Kamerlid Salima Belhaj: ‘Je moet genoeg om de ander geven om je onbehagen in beschaafde bewoordingen te uiten.’ Beeld ANP

In oktober vorig jaar werd Salima Belhaj net als de meeste D66-fractieleden overrompeld door het opstappen van leider Alexander Pechtold. Toen Belhaj in 2008 Rotterdams gemeenteraadslid werd, begon Pechtold als voorzitter van de drie­koppige fractie in de Tweede Kamer. Belhaj besloot zich kandidaat te stellen als opvolger naast ­Kamerlid Paul van Meenen en Rob Jetten.

U voelde zich geroepen om Alexander Pechtold op te volgen?

“Het was heel emotioneel toen ik hoorde dat Alexander vertrok. We zaten in ’s-Hertogenbosch op een aparte bijeenkomst met de fractie. Ik heb altijd de houding dat mensen hun vinger moeten opsteken als ze ergens geschikt voor zijn. Je moet niet angstig zijn. Je kunt wel eindeloos blijven praten over emancipatie, maar je moet het zelf doen. Het lukt veel mensen niet in de samenleving, dat is helemaal niet erg. Het ergst wat kan gebeuren, is dat iedereen denkt: ik kan het niet worden. Er zit een gekke sfeer omheen als het niet lukt, maar dat hoeft helemaal niet. Ik heb niets om me voor te schamen.”

Het heeft u niet geëmotioneerd?

“Nee, ik heb daar niet slecht van geslapen. Ervoor niet en ook niet erna. Rob werd het en hij doet het hartstikke goed. Mijn collega’s hebben naar eer en geweten gehandeld en gestemd. Ik ken geen rancune, mijn hele leven al niet. Ik kan niet te lang teleurgesteld zijn over dingen.”

U steunde de ex-moslimbeweging, bent u ook ex-moslim?

“Nee, ik vind het belangrijk dat als je niet gelooft, niemand je mag dwingen dat toch te doen. Maar ik ben een-niet-praktiserend moslim. Ik geloof wel in een God, maar op mijn eigen manier. Er zijn mensen die vinden dat je jezelf dan geen moslim mag noemen. Ik zou niet weten hoe ik mezelf dan moest noemen.”

Hoe geeft u vorm aan uw geloof?

“Ik probeer het goede te doen, heel gewetensvol te handelen. Dan kijk ik even naar boven. Dat kan ik niet afleren. Als je dat niet hebt, kijk je misschien naar je schoenveters. Daar kan de waarheid ook in zitten. Veel religies, ook de ­islam, zijn in de beleving dogmatisch. Als je ­deze regeltjes uitvoert, ben je een goede moslim. ik denk dat je die regels in historisch perspectief moet plaatsen. Waarom hadden ze toen een functie? Kun je dat op een andere manier invullen? Het is niet iets waar ik dagelijks mee bezig ben.”

U groeide op in Harderwijk, hoe keken ze daar tegen uw gezin aan?

“Het was eigenlijk best fascinerend. Wij woonden in een omgeving waar veel mensen streng christelijk gelovig waren en wij zaten daar als islamitisch gezin tussen. Dat ging prima. ­Harderwijk is een mooi stadje. Dan denk ik aan de geur van pasgemaaid gras, dat ik op mijn rug in een park intens gelukkig lag te wezen. Met ­allemaal lieve mensen die hielpen de taal te ­leren. Je kende iedereen, ik had nooit het gevoel dat we anders waren. Er was veel respect, dat was wederzijds. Wij begaven ons echt in twee werelden, tussen de mensen die wat conservatiever in de wereld stonden met hun Marokkaanse achtergrond en de Nederlandse samenleving.”

Uw ouders gingen scheiden.

“Ik denk achteraf gezien dat wat mijn ouders hebben gedaan heel moeilijk was. Ze waren allebei gastarbeider. Als je modern bent en je komt uit een gemeenschap waar collectieve dwang de norm is, word je aangesproken of aangekeken als je afwijkt. Om dan toch je eigen dingen te blijven doen, dat is niet makkelijk geweest. Mijn moeder zorgde goed voor ons met weinig geld en geen opleiding. Ze was coupeuselerares. Bij het arbeidsbureau zeiden ze: misschien moet u koffiejuffrouw worden. Maar ze kreeg de kans om hypotheken bij de Postbank te doen. Ik weet nog steeds niet hoe ze dat allemaal deed met vier kinderen.”

Hoe was die scheiding voor een dertienjarig meisje?

“Die vraag heb ik mezelf nooit gesteld. Er was weinig tijd om na te denken, we moesten gewoon door: naar school, flink blijven. Als ik ­terugkijk zie ik een dapper meisje.”

Wat was voor u die ene vormende gebeurtenis?

“Uit huis getrapt worden vanwege een Nederlands vriendje. Dat betekende dat ik na de scheiding van mijn moeder in feite weer helemaal opnieuw moest beginnen. In mijn eentje. Mijn moeder en ik hebben er nog steeds discussie over hoe het precies is gegaan. Voor mijn gevoel kreeg ik de keuze: uitmaken of weggaan. Dat laatste heb ik gedaan. De bedoeling was dat ik zou zeggen: ik maak het wel uit. Achteraf blijkt dat ze daar erg van schrok. Ik heb haar twee jaar niet gezien, dat is best lang. Dat is niet leuk, maar ik had het gevoel dat ik vrij kon leven.”

Door een Nederlands vriendje leert Belhaj discussiëren over politiek en sluit zich aan bij D66. Ze wordt lid van de werkgroep muliticulturaliteit als Roger van Boxtel minister voor Grote Steden en Integratiebeleid is. Ze woont in Rotterdam als in 2002 Pim Fortuyn wordt vermoord.

“Ik zag het oude lieve Nederland met begripvolle buren veranderen, de tolerantie konden ze niet meer opbrengen. Hun gevoelens van vervreemding werden er in één keer uitgegooid. Daar kwam de aanslag op de Twin ­Towers bij. Er werd een soort conservatisme uit de islam zichtbaar in Nederland waar een groep zich mee ging profileren. Tegelijkertijd gingen er veel autochtonen – ik zal maar zeggen – met elkaar in gesprek. Je moet genoeg om de ander geven om je onbehagen in beschaafde bewoordingen te uiten.”

Hoe kijkt u naar de politieke tijdgeest?

“We komen uit een tijd van crisis en bezuinigingen waarin pragmatisch leiderschap nodig was. De behoefte groeit nu te weten wie we zijn en waar we heengaan. In het lieflijke Nederland van de jaren tachtig en negentig kon het allemaal niet op. Kort na 2000 kregen we de maatschappelijke confrontatie. Mensen willen antwoord op de vraag: wie zijn we in het nieuwe Nederland, wat kunnen we samen doen? Bij veel mensen die ik spreek, hoor ik de wens: hoe zouden we het weer fijn kunnen hebben? In plaats van alleen maar te polariseren.”

Hoe verklaart u dat Nederland in de top 5 van gelukkige landen staat en dat populistische partijen hier groeien als kool?

“Misschien maakt ons dat gelukkig. De diversiteit aan politieke partijen is fantastisch, dat is ook Nederland. Er is een verschil tussen politici en de mensen. Als mensen boos zijn, is dat zo. Politici hebben de taak iets te doen met wat mensen uiten. Er zijn partijen die de boosheid vertolken, maar geen oplossing bieden en een negatieve spiraal versterken.”

Wat is dan de oplossing?

“Het vermogen om te luisteren en door te vragen in de politiek moet sterker worden ontwikkeld. Je kunt erachter komen wat mensen écht willen, gewoon doorvragen! Ik heb het zelf gedaan in Rotterdam, dat is moeilijk. Als je je verbindt aan andere partijen in een coalitie krijg je het ook nog eens zwaar. Maar als je dat integer doet… Het gaat over willen verbinden en daar niet bang voor zijn. Politici moeten weten dat mensen daar naar snakken.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden