PlusInterview

Brandstapel of verwurging: homovervolging in de kolonie Suriname

Het koloniale bewind in Suriname trad in de achttiende eeuw keihard op tegen sodomie. Ook gouverneurszoon Matthijs de Goyer eindigde op de brandstapel.

In het Suriname van de 18e eeuw woonden 1250 witte inwoners en meer dan 30.000 tot slaaf gemaakten.Beeld John Carter Brown Library

Eigenlijk was hij op zoek naar informatie over de hongerdood in de kolonie Suriname. Snuffelend in de eeuwenoude archieven kwam Nizaar Makdoembaks gevallen tegen van homovervolging door het koloniaal bewind. “Dat was helemaal nieuw voor mij. Het raakte mij, vanwege het trieste lot van de mensen, maar ook omdat de processen een inkijkje geven in het systeem achter de slavernij. Het waren vrijwel allemaal witte mannen die werden terechtgesteld, maar het gebeurde in het belang van de kolonie.”

Die nieuwsgierigheid leidde tot een boek: Homovervolging in tijden van slavernij. Het boek is alweer een nieuwe vrucht van het monnikenwerk dat Makdoembaks verricht in de ­archieven, en elke keer opnieuw legt de voormalige huisarts uit de Bijlmer zijn vinger op een ­zere plek van de koloniale geschiedenis. Dat leidde eerder tot publicaties over de inzet van troostmeisjes voor Nederlandse militairen in Nederlands-Indië en de dood van vijftien Chinese zeelieden bij een poging van het Nederlands gezag op Curaçao om in 1942 een staking te breken.

In dit boek voert Makdoembaks de lezer mee naar het Suriname van de achttiende eeuw. De ­kolonie telt dan ongeveer 1250 witte inwoners en meer dan 30.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen. Makdoembaks: “Een van de manieren om de tot slaaf gemaakten onder de duim te houden, was het straffen en executeren. De vaak zeer wrede lijfstraffen werden voltrokken op de binnenplaats van Fort Zeelandia. Daar werden mensen verwurgd of op de brandstapel gelegd, ledematen werden afgehakt en hoofden op spiesen tentoongesteld.”

Veroordeling van witte bewoners

Het straffen van de tot slaaf gemaakten was deel van de dagelijkse praktijk in Suriname. Een stuk zeldzamer was de veroordeling van witte bewoners van de kolonie. Makdoembaks: “Suriname was een poel des verderfs. Het was een kleine gemeenschap. Het was de witte mannen officieel verboden om seksuele relaties te onderhouden met tot slaaf gemaakte vrouwen. Dat werd bestempeld als bestialiteit: de tot slaaf gemaakten werden beschouwd als vee. In de praktijk waren er heel veel relaties, en daar werd niet tegen opgetreden.”

Dat gold niet voor homoseksualiteit en sodomie. Grasduinend in de archieven kwam Makdoembaks twintig veroordelingen tegen. In ­zeven gevallen was de opgelegde straf de brandstapel, verwurging of de verdrinkingsdood. Hoe hoog de autoriteiten de zaak opnamen, blijkt uit de veroordeling in 1731 van Matthijs de Goyer, zoon van de tien jaar eerder overleden gouverneur Johan de Goyer. Matthijs werd in het fort verwurgd en geblakerd door wat in het vonnis een langzaam vuur wordt genoemd. Zijn dode lichaam werd daarna in zee gegooid.

De homovervolging in Suriname stond niet op zichzelf. Makdoembaks laat zien dat de praktijk in de kolonie parallel liep aan de vervolging van sodomieten in Amsterdam. Ook daar was in de jaren dertig en zestig van de achttiende eeuw sprake van een opleving in de harde aanpak van wat werd gezien als het zwaarste misdrijf van de uiteenlopende vormen van onkuisheid. In 1731 schreef gouverneur Carel de Cheusses aan de bewindvoerders van de kolonie in Amsterdam dat de ‘gruwelijke en God tergende zonde’ ook in Suriname was opgedoken.

Primitief-religieuze reflex

Makdoembaks ziet de vervolging van de sodomieten als een primitief-religieuze reflex. ­Amsterdam werd in deze perioden geplaagd door de paalworm, een klein organisme dat niet ­alleen de houten fundering van woningen ­bedreigde, maar ook schepen waarmee op en neer werd gevaren naar de kolonie. “In Suriname werden tot slaaf gemaakten die wegliepen en aanvallen uitvoerden op de plantages, gezien als een straf van hogerhand. De verbranding van sodomieten was een offer om God gunstig te stemmen.”

Het christelijk geloof was onlosmakelijk verbonden met de slavernij, stelt Makdoembaks. “Voor de kerk was het simpel: wie geen christen was, was geen mens. De tot slaaf gemaakten waren beesten, maar dat gold ook voor de Joodse kolonisten in Suriname. Ook met hen mochten volgens officiële richtlijnen geen relaties worden aangegaan.”

Het geloof was instrumenteel. “Alles draaide om één ding: de winst van de onderneming. Alles wat de productie van de plantages in gevaar bracht, moest de kop worden ingedrukt. Een witte sodomiet werd op precies dezelfde manier gestraft als een wegloper van de plantage.”

Nizaar Makdoembaks, Homovervolging in tijden van slavernij, 26,99 euro. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden