Advies Raad voor Cultuur: heropen jacht op naziroofkunst

Nederland onderzoekt al dertien jaar niet meer waar door nazi’s geroofde kunst vandaan komt, zegt de Raad voor Cultuur in een maandag verschenen rapport. Dat is in strijd met internationale afspraken.

Eerste Joden op transport na een razzia in Amsterdam. Beeld
Eerste Joden op transport na een razzia in Amsterdam.

Alles moest – conform de droom van Hitler – in het Führermuseum komen te hangen, de kunst die de nazi’s roofden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In plaats daarvan brachten de geallieerden na de oorlog een deel van die kunst terug naar het land van herkomst. Zo landde in oktober 1945 een vliegtuig met 26 schilderijen van Rembrandt, Rubens en Steen in Nederland.

In totaal hebben zo’n 3800 stukken, bekend als de Nederlands Kunstbezit-collectie, hun herkomst in de oorlog. In 1998 maakten 44 ­landen afspraken over de restitutie van door ­nazi’s geroofde kunst, de zogeheten Washington Principles. Daarin werd bijvoorbeeld afgesproken dat landen onderzoek doen naar de herkomst van de stukken. Maar daarmee stopte Nederland, abrupt, in 2007, stelt het rapport Streven naar rechtvaardigheid van de Raad voor Cultuur.

Zo snel mogelijk hervat

Waarom? Jacob Kohnstamm, die de ontdekking deed tijdens zijn evaluatie van het restitutiebeleid voor de Raad voor Cultuur, heeft geen idee. “We kunnen alleen vaststellen dat het is geëindigd. Dat is in strijd met de Washington Principles,” vertelt hij via Zoom. Het onderzoek moet volgens hem ‘echt zo snel mogelijk’ worden hervat. De herkomststudie naar de Nederlands Kunstbezit-collectie zal zo’n vier jaar duren en kost 3 miljoen euro.

Als de herkomst is achterhaald, moet een speciale ‘helpdesk’ nabestaanden benaderen, ad­viseert commissievoorzitter Kohnstamm het kabinet. Geen helpdesk waar mensen naartoe kunnen bellen dus, maar eentje die zélf mensen belt om bijvoorbeeld te zeggen ‘er is iets gevonden van uw grootouders, u zou kunnen kijken of u het gerestitueerd kunt krijgen’. De minister van Cultuur moet daarvoor verantwoordelijk worden. Nu zijn de regels voor teruggave volgens hem ‘totaal ondoorzichtig’.

Na zo’n tachtig jaar wordt het steeds moeilijker om te achterhalen waar stukken vandaan komen. Kohnstamm wijst naar de imposante ­boekenkast achter hem. “Die kast is van mijn overgrootmoeder geweest. Dat weet ik, omdat die levend werd overgedragen. Maar als de oorspronkelijke eigenaars in de oorlog zijn vermoord in kampen, wéten kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen niet eens dat ze recht hebben op een erfstuk.”

Toch kan er nu technologisch meer dan in 2007, zegt Kohnstamm. “De mogelijkheden om te zoeken zijn tig maal verbeterd.” Bovendien heeft hij gehoord dat van sommige schilderijen in de Nederlandse Kunstbezitcollectie niet eens de achterkant van het doek is bestudeerd. Daarop staan vaak namen en data, die een belangrijke aanwijzing kunnen zijn. Dat geldt niet voor alle stukken: op een zilveren theeservies of Perzisch tapijt staat niets gekrabbeld. Dan is het ‘een waanzinnig moeilijke puzzel’ ook al is die niet per se onoplosbaar, zegt Kohnstamm. “Het klinkt misschien wrang, maar de nazi’s konden wel heel goed boekhouden. Soms is de herkomst toch te achterhalen.”

Meer aandacht

Door de wederopbouw belandde de kwestie van geroofde kunst ‘in het vergeethoekje’, zegt Kohnstamm. Halverwege de jaren negentig kwam er aandacht voor. “Mensen beweren weleens dat de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog afneemt. Maar in Amsterdam zie je, net als in veel plaatsen, overal struikelstenen. Herdenken is nu veel intensiever.”

Met de toenemende aandacht voor herdenken, kwam ook het besef hoe slecht de Joden na de oorlog behandeld werden. “Onwaarschijnlijk slecht. Joden die de kampen overleefden, hebben we niet eens hun huizen teruggegeven.” Het is één van de redenen waarom Kohnstamm zegt dat bij restitutie van naziroofkunst dat in het bezit is van musea het belang van het museum ondergeschikt is aan het belang van nabestaanden. “Rechtsherstel is belangrijker.”

Struikelsteen

Wat niet wegneemt dat nabestaanden en museum ook ‘een middenweg’ kunnen vinden, maar alleen als een museum kan aantonen dat het werk ooit ter goeder trouw is gekocht: bruikleen, uitkopen of andere afspraken. “Een plaquette met uitleg naast het kunstwerk bijvoorbeeld. Dat is ook een vorm van struikelsteen.”

Al begrijpt Kohnstamm dat het onrecht van de oorlog nooit ongedaan gemaakt kan worden. “Het enige dat blijkbaar rest, zijn de nooit teruggegeven huizen en kunst. Die kun je aanraken. Van al het leed is dat het enige dat overblijft waar je nog iets mee kan.”

Dat betekent ook dat het restitutiebeleid, ook als dat na zijn aanbevelingen wordt verbeterd, nooit naar ieders tevredenheid zal zijn. Ook niet als je 250 procent empathie hebt, zegt Kohnstamm. “Maar je moet het wél proberen.”

Advies

Tussen 2001 en 2020 bracht de Restitutiecommissie 163 keer advies uit. 79 keer werd restitutie toegewezen, 19 keer deels. Vorig jaar moesten twee oude meesters die in bruikleen waren bij het Frans Hals Museum en het Centraal Museum terug naar de erven van de Amsterdams-Joodse kunsthandelaar Jacob Lierens. De Nederlandse staat gaf in 2006 202 schilderijen terug aan de erven van de Amsterdams-Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Volgende week bepaalt de rechter of het Stedelijk Museum het schilderij Bild mit Häusern van Kandinsky moet teruggeven aan de erven-Lewenstein. De restitutiecommissie oordeelde van niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden