PlusAchtergrond

Zwabberende stembanden en monstrueuze jurken: hoe Paroolverslaggever Stefan Raatgever leerde van het Songfestival te houden

Gorillapakken, indianentooien en opstootjes: sinds 2014 was muziekverslaggever Stefan Raatgever bij elke editie van het Songfestival. Dit jaar volgt hij het Eurovisiefestijn vanuit huis, maar hoeft toch geen repetitie te missen: ‘Juist de wansmaak heb ik leren waarderen.’

Stefan Raatgever
Zingen kon hij niet, maar toch straalde Serhat (uitkomend voor San Marino) op de Songfestivalbühne als een posteridool uit een boyband.
 

The Eurovision Song Contest 2016 starts with the first semifinal on Tuesday May 10.  / AFP PHOTO / TT News Agency / Maja Suslin/TT / Sweden OUT Beeld AFP
Zingen kon hij niet, maar toch straalde Serhat (uitkomend voor San Marino) op de Songfestivalbühne als een posteridool uit een boyband. The Eurovision Song Contest 2016 starts with the first semifinal on Tuesday May 10. / AFP PHOTO / TT News Agency / Maja Suslin/TT / Sweden OUTBeeld AFP

De verslaggeving van het Eurovisie Songfestival is een zeer serieuze zaak. Ik ontdekte dat toen ik voor de eerste keer afreisde naar de grootste liedjeswedstrijd ter wereld. In Kopenhagen streden in 2014 de Common Linnets mee om de eindzege. Met elke douze points die Ilse DeLange en Waylon ontvingen zag ik om me heen volwassen mannen een nieuwe traan wegpinken. Het Oranjesucces voelde voor hen als een finaleplek van het Nederlands elftal op een groot voetbaltoernooi.

Ik had het Songfestival tot dan toe nooit al te intensief gevolgd. Gelachen had ik er wel om. Zeker toen Nederland in de jaren rond 2010 in een draaikolk van wansmaak en non-talent verzwolgen dreigde te worden. Het waren van de jaren van De Toppers en hun kostuums met ledlampjes, van Joan Franka en haar indianentooi en van Sieneke, Vader Abraham en het bovenmaatse draaiorgel.

Maar nadat Anouk in 2013 een trend bleek te hebben gezet door als serieuze muzikant een poging te wagen, reisde ik – als een zichzelf eveneens uiterst serieus nemende muziekverslaggever – ook af naar wat me op zijn best een kruising tussen een circus en een pretpark leek.

Regenboogkleurige bubbel

Sindsdien zag ik elk festival van zeer nabij. Zeven edities – in 2020 viel zelfs de voordien nimmer haperende machinerie van de Eurovisiefabriek stil – die in kwaliteit varieerden van afschuwelijk tot adembenemend. Maar ze overtuigden me wel voor altijd van de kracht van de Europese liedjeswedstrijd. Die is ondanks zijn foeilelijke kanten – of misschien juist dankzij – werkelijk een festijn van verbroedering, empathie en liefde. Het ideaal waarmee het festival in 1956 begon leeft nog steeds.

Uiteraard leidt die zoete cocktail onherroepelijk af en toe ook tot overdosering. En tot wansmaak. Véél wansmaak. Maar juist die leerde ik de afgelopen jaren ook waarderen. Omdat ik ontdekte dat mijn eigen beoordeling voor een groot deel cultureel bepaald is en dat genieten van een Albanese zangeres die vol overgave een bombastballade boven een rookmachine uitstort een bepaald soort ruimdenkendheid vereist.

Maar ook omdat ik inzag met welke goede intenties al die deelnemers met zwabberende stembanden, monstrueuze jurken en lichtgevende decorstukken op pad waren gegaan. In de regenboogkleurige bubbel van het Songfestival geloofden ze voor even in zichzelf als de absolute ster van hun eigen universum.

In die zin zag ik in 2016 en 2019 mijn absolute Eurovisieheld optreden. Hij heet Serhat en is een in Turkije geboren vijftiger die van zichzelf de uitstraling heeft van de eigenaar van een zonnestudio of een medewerker van een dierenwinkel. Ook onhandig als je wil schitteren als popster: zingen kan hij eigenlijk niet. Maar toch straalde Serhat op de Songfestivalbühne als een posteridool uit een boyband.

Hij kwam uit voor San Marino, het dwergstaatje dat zo weinig geld heeft dat Serhat vermoedelijk zelf meebetaalde aan zijn deelname. Maar daarvoor kon hij zich wel twee weken lang laven aan de liefde van de Songfestivalkolonie.

Luidruchtig nationalisme

Die liefde is bijna oneindig, zo stelde ik als pas beëdigd Songfestivalwatcher vast. Die sfeer ontstaat voor een groot deel door de samenstelling van het journalistencorps. Waar je op pakweg Lowlands of Pinkpop het hokje waar de muziekpers huist maar even in hoeft te lopen om er met een wagonlading cynisme weer uit te spoelen, bestaat het Eurovisiegevolg voor het grootste deel uit fans.

Veel van hen schrijven of filmen blogs en websites vol die geheel in het teken staan van het festival. Ze hebben twee weken vakantie genomen van hun werkelijke baan om zich te kunnen overgeven aan hun favoriete liefhebberij.

Het leidt op persconferenties vaak tot vragen die worden ingeleid met omstandige complimenten voor het liedje, de jurk, de danspasjes of wat er maar te bedenken is om aardig over te zijn.

Kritisch observeren en berichten? Het ligt lastig in Eurovisieland. Ik ondervond het aan den lijve toen ik de Nederlandse troef Waylon naar de zin van de zanger zelf in 2018 te weinig positief volgde. Ik werd, toen namens het AD, op de zwarte lijst gezet: ik mocht geen vragen meer aan hem stellen en was ook niet welkom bij promotie-activiteiten. Mijn collega van De Telegraaf kreeg dezelfde behandeling. “Waarom kan het niet zoals bij andere landen? Daar staat de nationale artiest op een voetstuk,” klaagde Waylons manager op de radio.

Daar had hij gelijk in: wie in het mediacentrum de uitzending of de puntentelling probeert te volgen moet rekening houden met hoogoplopend en vooral luidruchtig nationalisme. Objectiviteit is er een begrip uit een fantasietaal. Ooit tikte ik mijn stukje voor de krant naast een collega uit Italië die zich had verkleed als gorilla, geïnspireerd door de podiumact van de in het zicht van de haven gestrande titelfavoriet Francesco Gabbani.

Ook was ik er op een persconferentie getuige van hoe verslaggevers uit Armenië en Azerbeidzjan elkaar bijna te lijf gingen toen er werd geïnformeerd naar de mening van een zangeres over de situatie in de betwiste regio Nagorno-Karabach.

[Tekst gaat verder onder video]

Internationale pers blijft weg

2022 is het jaar dat ik het festival voor het eerst sinds mijn debuut niet kan aanraken. De redenen waarom ik thuisblijf zijn divers. Allereerst is voor een krant als Het Parool elke buitenlandse trip een investering waarover goed moet worden nagedacht. Daarbij verkeer ik in een nieuwe fase van mijn leven met een baby van negen maanden thuis die in de nachten de modulatie van Justine Pelmelay nog met gemak overtreft.

Afgelopen woensdag keek ik daarom in het online mediacentrum naar de eerste repetities van topfavoriet Oekraïne en S10 namens Nederland. De virtuele perskamer is een vinding van de Nederlandse organisatie in Ahoy van afgelopen jaar. In coronatijden was er in Rotterdam maar een fractie van de gebruikelijke populatie van 2000 journalisten aanwezig. Veel internationale pers bleef weg.

De oplossing: de repetities en persbijeenkomsten ook voor de thuisblijvers toegankelijk maken. Zo is meekijken op het podium mogelijk vanaf de driezitter thuis en ook vragen stellen tijdens de openbare interviews is eenvoudig. De online opties zijn ook dit jaar weer beschikbaar en daarvan maak ik deze dagen gebruik om de voorbereidingen van de veertig deelnemers te volgen.

Ik hoef geen repetitie te missen. Hoera, want loeren naar de oefensessies is van levensbelang voor wie de essentie van de Songfestivalaantrekkingskracht wil begrijpen. Trijntje Oosterhuis in Wenen elke repetitie zien wisselen van scheurjurk naar vleermuisbroekpak en weer terug was Eurovisiedrama van epische proporties.

Artiesten besnuffelen

En overigens: in Turijn keken mijn collega’s afgelopen woensdag ook op een scherm naar de openbaring van de act rondom S10’s De diepte. De Songfestivalarena is tijdens de eerste repetitieronden namelijk niet toegankelijk voor journalisten. Zij kijken daarom via een verbinding mee en zagen precies dezelfde beelden als ik. Pas als maandag de zogeheten dress rehearsals beginnen mag de pers de zaal in om de artiesten en hun meegezeulde attributen van dichtbij te besnuffelen.

Ik ga ze missen: de fanatieke vloggers die elkaar vrijwel non-stop lijken te interviewen over de finesses van de Moldavische inzending, de feestjes vol oud-deelnemers (‘Oooh kijk, daar heb je Kroatië 1999!’) en natuurlijk de spanning rondom die magische puntentelling.

Hoewel: die krijg ik volgende week zaterdag uiteraard ook in volle glorie (én lengte!) mee. Ik verheug me erop, maar heb tot dat moment weinig tijd: op het onlinekanaal begint zodadelijk de repetitie van Malta.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden