Plus Interview

Zijn vrouw Bonny: ‘Ik ben een beetje uitge-Paul-Huft’

Zaterdag gaan er honderd foto’s van Paul Huf online onder de hamer. Zijn weduwe, voormalig model Bonny Huf (78), kan de stoflagen in de opslag niet meer aanzien en vindt dat het werk de wereld in moet.

Bonny Huf: ‘Ik ben gelukkig niet erg ­jaloers van aard, want als je dat bent en met een modefotograaf getrouwd bent, dan kun je jezelf beter gelijk ophangen.’ Beeld Daniel Cohen

De muren van haar bovenwoning nabij het Leidseplein hangen bomvol ­foto’s: model en mannequin Tanja Trijbels, couturiers Max Heymans en Dick Holt­haus, Albert Mol, Monique van de Ven, Sylvia Kristel, Bonny Huf zelf, in 1961 in bikini tussen het riet, alles door elkaar.

Zo ook diverse portretten van Prins Bernhard, al komen die haar nu de keel uit. Huf verkocht onlangs haar zomerhuis in Breukelen, tijdens het pakken vond ze Niets was wat het leek van Gerard Aalders over de prins. “Ik ben het gaan lezen en nu ga ik al zijn foto’s van de muur halen. Wat een boef was dat zeg, hij heeft vele levens in gevaar gebracht.”

Bonny Huf neemt geen blad voor de mond, nooit gedaan ook. Hoewel ze zich wel dertig jaar lang dienend opstelde als vrouw áchter Paul Huf, de man die het boegbeeld van de ­Nederlandse fotografie wordt genoemd. “Ik had een man met een ego, voor wie ik het gras alvast maaide zodat hij rustig kon doorlopen, alle ogen waren gericht op Kwatta, zijn werk kwam op de eerste plaats. Natuurlijk heb ik ­weleens geklaagd over gebrek aan aandacht. Dan schreef ik hem een brief die ik ’s ochtends in zijn fotokoffer deed. Dat werkte.”

Honderd foto’s van haar in 2002 overleden echtgenoot gaan zaterdag online onder de ­hamer: reclamefoto’s, portretten van Ramses Shaffy en Annie M.G. Schmidt, landschappen en reisindrukken. Deze week waren er kijk­dagen bij veilinghuis Spengen in Hilversum, vanavond om 19.00 uur sluit het bieden.

Waarom doet u zoveel werken weg?

“Ik heb na Pauls dood meegewerkt aan vele tentoonstellingen, in 2015 nog een in China, maar het enthousiasme is minder en lichamelijk kan ik het niet meer aan. De boel staat te verstoffen, allemaal originele prints, voorzien van een Studio Paul Huf-stempel en/of gesigneerd. Ik heb zelf geen plek meer vrij aan de muur en het huis van mijn dochter Chantal is ook bomvol. Het veilinghuis maakte de selectie. Vroeger deed ik dat zelf, maar ik heb geen kijk meer op wat jongeren nu willen. Moderne fotografie, ik snap er geen reet van. Ik vraag me vaak af wat het in godsnaam nog met fotografie te maken heeft, zo lelijk en slecht van kwaliteit. Daarom was die tentoonstelling in Foam van William Klein zo’n verademing: dat werk spatte van de muur.”

Doet het u pijn, het afscheid van Breukelen en van al die werken?

“Niet meer, het voelt goed. Begrijp me niet verkeerd, Paul was de liefde van mijn leven, maar ik ben uitge-Paul-Huft. Hij is zeventien jaar geleden overleden, ik zeg dit vol respect en met heel veel liefde, maar het wordt tijd dat die ­werken elders een plek vinden.”

Is er ooit een nieuwe liefde gekomen?

“Nee, die deur heb ik na zijn overlijden meteen dichtgedaan.”

Waarom?

“Ik was destijds 62 en op die leeftijd kom je helemaal niks leuks meer tegen. Paul was zo’n leuke man, zó geestig, hij zag er hartstikke goed uit, was elegant. En op déze leeftijd… Kijk eens naar mannen van 78, die zijn plomp, als ze al een jasje dragen dan hángt het om hun schouders, ze verzorgen zich vaak niet meer. Een paar verkeerde schoenen en dan moet je bij mij al wegwezen. Eén keer heb ik nog gedatet. Tijdens een etentje suggereerde deze man dat ik na een jaar en enkele maanden toch wel over Pauls dood heen moest zijn. Ik ben opgestaan en weggegaan. De dood van een geliefde is niet iets waar je overheen komt, je gaat er doorheen, maar niet overheen.”

U bent achttien jaar model geweest, hoe bent u ontdekt?

“Mijn jeugdliefde Paul Kaldewaay, de zoon van revueartiest Willy Walden, regelde dat ik voor Dick Holthaus kon lopen, én dat ik een van de ‘Peter Stuyvesant-meisjes’ werd. In een beeldschone couturejurk van Dior moesten we op chique feesten, gewapend met een zilveren dienblad en een loodzware aansteker, mensen sigaretten aanbieden. Van het een kwam het ander. Ik heb voor alle Nederlandse couturiers gewerkt.”

Max Heymans smeekte u, na uw aankondiging ermee te stoppen, of u dan toch minstens ­alleen nog als bruid wilde opkomen.

“Dat heb ik nog een paar keer gedaan ja, maar ik was wel klaar met modellenwerk. Max was een heel erudiete man met een ongelooflijke mensenkennis, maar hij kon nooit uitbetalen, dat ging in termijnen. Elke week kon je 25 gulden ophalen, daarna liep je langs de poelier in zijn straat en dan was het weer op.”

Uw generatie deed nog lang zelf haar- en make-up.

“We hebben ons ook suf gesleept met koffers vol schoenen, pruiken en accessoires. In de jaren tachtig zat ik in een tv-show met modellen Sophietje van Kleef en Sonja Bakker, en toen gaf Frank Govers – het grootste kreng van West-­Europa maar door zijn ziekte iets milder geworden – toe: ‘Meisjes, wat hebben jullie vroeger hard gewerkt’. Maar dat gaf niets, want we hadden zó veel lol. Als ik naar de muren kijk, word ik naar omdat zovelen er al niet meer zijn.”

U werkte ook als receptioniste in de Hazenstraat, in de studio van uw man.

“Een heel leuke tijd. Ik heb wat kroegen in de Jordaan afgelopen op zoek naar Ramses Shaffy. Dan verscheen hij in de studio, maar zodra je je omdraaide was hij ontsnapt, op zoek naar een borrel.”

“Na twee jaar Hazenstraat vlogen de bloedspetters echter tegen de muur, want iedereen kwam bij mij uithuilen. Paul was een kreng, hij kon ontzettend onaardig zijn tegen medewerkers. Hij dacht zó snel en eiste dat ook van anderen. Dat had hij van zijn vader, de acteur Paul Huf, een dominante man. Als de priester tijdens de zondagse kerkdienst een woord verkeerd uitsprak, sprong hij op om hem te verbeteren. Zijn kinderen schaamden zich te pletter. Maar Paul had gelukkig ook veel van zijn lieve moeder, hoewel dat er helaas niet altijd uitkwam. Vrienden vonden het bijvoorbeeld niet aardig dat hij het in interviews nooit over mij had. Zelf vond ik dat helemaal niet erg, ik wist wat ik voor hem betekende. Ik ken mannen die zevenhonderd keer roepen hoe geweldig hun vrouw is, en zich ondertussen helemaal te pletter neuken met anderen.”

Bent u ooit jaloers geweest?

“Ja natuurlijk, maar ik ben gelukkig niet erg ­jaloers van aard, want als je dat bent en met een modefotograaf getrouwd bent, dan kun je jezelf beter gelijk ophangen. Ik vind het zelf ook heerlijk om naar mooie mensen te kijken. Ooit heb ik tegen Paul gezegd: ‘Haal het niet in je hoofd om op het puntje van mijn bed te gaan zitten met: ‘Bontje, ik moet je iets vertellen’. Dan leg je het probleem bij mij. Ik wil het niet weten, zoek het maar uit.’ Ik weet zelf dondersgoed hoe het is als je op reis bent, er kan van alles gebeuren.”

U werkte zelf veel in Londen in de losbandige jaren zestig en zeventig.

“Onder meer met fotograaf David Bailey, voor Vogue en veel catalogi, tien dagen studiowerk en elke dag naborrelen in Carnaby Street. Liep je een café binnen, zat Ringo Star aan de bar, of soms alle Beatles tegelijk. Ik was kind aan huis bij nachtclub Tramps en ’s ochtends met z’n ­allen bangers and mash eten, worstjes met aardappelpuree. Dat is tegenwoordig ondenkbaar, de concurrentie is moordend en modellen gaan vroeg naar bed met een glas water. In mijn tijd was het een pre als je een feestbeest was.”

U heeft ooit gezegd dat Breukelen zo’n fijne plek was omdat u Paul daar voor uzelf had.

“Zeker, zijn werk was ver weg, ik had er de regie. Wat daar allemaal is gebeurd, heerlijke feesten, met pak en al aan de plomp in. Rijk de Gooyer kwam met zijn vriendin Nel, Ruud en Ria Lubbers waren er vaak, Jasperina de Jong, fotograaf Vincent Mentzel, Ed van Thijn. Allerlei ­types door elkaar, en dan urenlang koken en ­tafelen. Tegenwoordig eet ik vaak met een bord pasta op schoot voor de tv, het moeilijkste tijdstip van de dag. Paul belde ’s middags steevast enthousiast vanuit de studio om te vragen wat er op het menu stond. Dat daagde me uit. Als ik nu aan de keukentafel ga zitten met een kaarsje is de kans groot dat ik in tranen uitbarst.”

Uw dochter woont een etage lager, eten jullie dan niet vaak samen?

“Chantal (53) en ik hebben onze langere conversaties meestal op de trap, terwijl het licht continu aan- en uitgaat, gezellig en ongedwongen. Als ik te veel gekookt heb, bel ik of ze interesse heeft. Zo ja, dan komt ze een bordje halen en eten we vaak niet eens samen. Dat wil ik ook niet, dan is het net of we een stel zijn. Uit eten ga ik zelden. Ik heb zoveel verplicht moeten ­socializen met Paul, dat ik etentjes heb afgeschaft. Onder veel protest ging ik altijd mee. Paul vond alles leuk, ik niet. Zat ik weer de hele avond naast iemand waarvan ik dacht: ik ga jou hierna nóóit meer zien. Op de terugweg in de auto zei hij dan: ‘Je kunt wel klagen, maar ik heb er toch weer twee portretten uitgesleept’.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden