PlusInterview

Ze was een succesvol musicalactrice, toch wil Rosa da Silva liever cabaret maken: ‘Het begon te wennen’

Rosa da Silva in Daar moet je heen, waarin ze onder meer de aanstellerige maniertjes van fadozangeressen imiteert. Beeld Jan Sol
Rosa da Silva in Daar moet je heen, waarin ze onder meer de aanstellerige maniertjes van fadozangeressen imiteert.Beeld Jan Sol

Ze was een succesvol musicalactrice, toch wilde Rosa da Silva liever cabaret maken. Het publiek is vooralsnog kleiner, maar de bevrediging groter. In De Kleine Komedie gaat haar debuutvoorstelling Daar moet je heen in première.

Rosa da Silva speelde Anne Frank in de musical Anne en was daarna onder meer te zien in Rent en De tweeling. “Het is super om die ervaring te hebben hè, begrijp me niet verkeerd,” zegt ze na een try-out in Culemborg. “Je speelt in de grote bakken van Nederland, er staan elke avond duizend man voor je neus. Het applaus was eerst overdonderend, maar begon toch te wennen. Zoals elk werk went. Wéér duizend man achter die vierde wand.”

“Nu heb ik soms 41 mensen in de zaal, maar waardeer ik elk hoofd. Ze komen speciaal voor mij en ik kan met ze praten. Dat is een totaal andere bevrediging. Je gaat naar De tweeling voor het verhaal en het spektakel, niet voor Rosa.”

In de pauze van die musicals strooide Da Silva met grappen en typetjes, wat haar aanmoe­digingen van collega’s opleverde om een eigen programma te maken. “Dat was ook altijd de ­bedoeling. Ik heb de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie gedaan, maar het leek me goed eerst als actrice te gaan werken. De stap van toneel naar cabaret is in mijn ogen logischer dan andersom. Als je bekend wordt als ­cabaretière kan het lastig zijn daarna serieuze rollen te krijgen in het theater.”

­Een plek toe-eigenen

Toen een toneelproductie in 2017 niet doorging, zag Da Silva haar kans schoon. Ze belde muzikant en componist Daniël Lohues, met wie ze in één weekend vijf liederen schreef. Vier daarvan zitten in Daar moet je heen, dat gebaseerd is op het halfuur waarmee ze twee jaar geleden het Amsterdams Kleinkunst Festival won.

Een ‘voorstel-voorstelling’ noemt ze het. Da Silva’s moeder was Nederlandse en ontmoette haar Portugese man in Parijs. De kleine Rosa groeide op in Klazienaveen, maar woont nu al jaren in Amsterdam. Dat zijn veel invloeden, die terugkomen in verhalen en liedjes over identiteit en afkomst.

“Mijn vader heeft zich in Klazienaveen altijd gediscrimineerd gevoeld. Nu woont hij weer in Porto en vindt hij de toeristen verschrikkelijk. Dat roept een interessante vraag op: van wie is een land nou eigenlijk? Wie hoort waar en wie bepaalt dat? Ik speel in de voorstelling een ­expatvrouw die zich nogal blasé ergert aan alles wat de meeste mensen als Amsterdams ervaren. Mensen eigenen zich een plek heel snel toe en gaan dan oordelen over anderen.”

Nooit meer een mening

Da Silva merkte dat ook bij zichzelf. “Mijn moeder zei altijd: ‘O, jij met je mening, hou op joh.’ Toen ik naar Amsterdam verhuisde, vond ik mensen die in Zwolle wonen opeens saai. Terwijl ik zelf uit Klazienaveen kom! Shit, dacht ik, ik ben ook zo geworden. Tegelijk heb je die portie arrogantie wel nodig om acteur te worden. Je moet soms denken dat het wel vet is wat je doet. Andere opleidingen vond ik oninteressant. Als iemand op een verjaardag vertelde wat hij deed, kon ik mijn ogen amper openhouden.”

Dat veranderde toen Da Silva echt het podium op moest. “Tijdens de toneelschool ga je heel vaak naar het theater. Dan zei ik soms gewoon dat ik een bepaalde actrice helemaal niks vond. Als je op stage gaat, leer je dat snel af. Dan speel je zelf voor publiek en word je opeens zó kwetsbaar, zó angstig. Toen wilde ik nooit meer een mening hebben. Misschien wel over een voorstelling, maar niet over individuen.”

Fadozangeressen

Een andere rode draad is haar worsteling met het Portugese levenslied, de fado. “Mijn vader draaide dat vroeger eindeloos en dan dacht ik: daar gáán we weer. Ik heb lang volgehouden dat ik het niet wilde zingen. Te zwaar, te verdrietig. Toch zit die emotie wel in me. Ik ga zelf vaak naar fadozangeressen. Ik vind ze vaak heel goed, maar zie tegelijk de trucjes. Die doe ik ook na in mijn voorstelling. Het kusjes geven aan het publiek, het doen alsof je klein bent, maar je intussen een ster wanen. Heel irritant vind ik dat. Daar ben ik misschien te Nederlands voor.”

Daar moet je heen (première): 25 en 26 oktober in De Kleine Komedie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden