PlusMuziekrecensie

Yannick Nézet-Séguin dirigeert een indrukwekkende Achtste van Mahler

Met zijn uitvoering van de integrale Mahlercyclus laat Nézet-Séguin nogmaals zien dat hij een van de grootste dirigenten van zijn tijd is.

De Achtste symfonie van Mahler is een symfonie van uitersten. De vereiste bezetting is enorm net als de akoestische gewaarwording als alle krachten tegelijk worden ingezet.

Wat betreft decibellen zijn er weinig stukken in de klassieke muziek die zo’n torenhoge boeggolf van geluid teweegbrengen als de eerste maten van deze Achtste. Na donderende contrabassen zet het orgel in en vervolgens zingt het koor op volle sterkte Veni, creator spiritus, een oproep die wordt beantwoord door strijkers en blazers en roffelende pauken. Maar een paar minuten later, als ook de vocale solisten plankgas hebben moeten geven om boven het orkest uit te komen, klinkt er opeens een kwetsbare vioolsolo van de concertmeester boven zachte koorklanken, voordat de sopraan het weer overneemt.

Mahlers Achtste is en blijft een merkwaardig stuk, dat een orkest niet alleen muzikaal en logistiek, maar ook financieel op de proef stelt. De vereisten zijn niet gering. Behalve een uitgebreid symfonieorkest (met orgel, harmonium en vier harpen) zijn er ook nog eens acht solozangers, twee gemengde koren en een jongenskoor voor nodig. Uitvoeringen zijn daarom een relatieve zeldzaamheid en altijd een ietwat problematische laatste halte als een dirigent per se een eigen integrale Mahlercyclus op zijn naam wil schrijven.

De Canadees Yannick Nézet-Séguin kreeg twee jaar geleden lovende recensies voor zijn Achtste van ­Mahler met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Een aantal van de vocale solisten dat daar toen aan meewerkte (Angela Meade, Erin Wall) keert terug op de liveregistratie die hij met het Philadelphia Orchestra maakte. Nézet-Séguin is daar nu zijn achtste jaar als chef-dirigent ingegaan, een positie die hij combineert met eenzelfde functie bij de Met in New York.

Op deze cd onderstreept Nézet-Séguin andermaal zijn reputatie als een van de meest tot de verbeelding sprekende dirigenten van deze tijd. (Het blijft onverteerbaar dat hij nog steeds zijn debuut moet maken bij het Concertgebouworkest.) Deze uitvoering kan zich meten met alle concurrenten, ook al, of vooral, vanwege het uiterst verzorgde en verfijnde spel van het Philadelphia Orchestra, dat door Mahler in alle geledingen op de proef wordt gesteld. Met name in het tweede deel, vanaf het Poco adagio, spint Mahler een web dat alleen met de delicaatste kamermuzikale benadering de gewenste dauwige glinstering krijgt.

Maar dan nog kan alles misgaan, want in dat tweede deel komen ook de solisten uitvoerig aan het woord, te beginnen met Pater Estaticus (hier de voortreffelijke bariton Markus Werba) en Pater Profundus (de bas John Relyea maakt zo mogelijk nog meer indruk). De apotheose, Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis, ingezet door fluisterzacht zingende koren met daarboven een ijle sopraan, is de grootse afsluiting, waarna het publiek het uitschreeuwt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden