PlusInterview

White Cube: terug naar de plantages voor een ‘omgekeerd gentrificatieproject’

Op documentairefestival Idfa gaat zaterdag White Cube van ­Renzo ­Martens (47) in première. ‘Als je wilt meetellen in de kunstwereld, moet je geen bamboehut neerzetten.’

Voor Episode III: Enjoy Poverty, de openingsfilm van Idfa 2008, reisde de Nederlandse kunstenaar Renzo Martens naar de binnenlanden van Congo om uitgebuite plantagearbeiders bij te brengen hoe ze hun armoede konden exploiteren. In White Cube keert Martens terug naar de plantages voor een ‘omgekeerd gentrificatieproject’; de film documenteert zijn poging om de kapitaalstroom om te draaien en de privileges die verbonden zijn met de kunstwereld in te zetten voor échte verandering.

In de aanloop naar de wereldpremière op Idfa, waar hij vanwege de coronamaatregelen slechts dertig gasten mag verwelkomen, zit Martens op een bankje in de Jodenbreestraat, schuin tegenover zijn huis. De cafés zijn gesloten, zijn huis is niet groot en de kinderen komen zo thuis en dan willen ze met hem spelen, verontschuldigt hij zich. Het bankje is nat, want het heeft de hele dag geregend. Maar tijdens het gesprek is het even droog en schijnt er een waterig zonnetje.

Als u vroeger uw bord niet leeg at, begon uw vader of moeder dan over de kindertjes in Afrika?

“Ik geloof niet dat de kindertjes in Afrika erbij werden gehaald. Ik was ook wel een goede eter; die vetzucht zat er al vroeg in. Maar ik snap waarom je de vraagt stelt, en ik ben er inderdaad al van jongs af aan mee bezig dat de dingen niet eerlijk zijn. En dat het niet zo moeilijk zou moeten zijn om het wel eerlijk te laten zijn. Het richtte zich eerst op dieren; toen ik acht jaar oud was, ging ik zeehondjes kleien en die verkocht ik dan op de rommelmarkt. De opbrengst stuurde ik naar Greenpeace. Zo is het allemaal begonnen.”

Wist u toen al dat u kunstenaar wilde worden?

“Voordat ik op het spoor van de kunsten terechtkwam, heb ik politicologie gestudeerd in Nijmegen. Maar na een jaar dacht ik: ik snap wel hoe dit werkt. Ik vond het bovendien heel saai, want we werden opgeleid tot beleidsmedewerker; mijn voorland was het schrijven en lezen van ambtelijke stukken. Ik wilde doen wat mij echt aan het hart ging en dat was vooral ikzelf. Toen ben ik naar de academie in Gent gegaan, en daarna naar de Rietveldacademie.”

Uw eerste serieuze kunstwerk was Episode I, waarvoor u met een cameraatje Tsjetsjenië binnendrong om vluchtelingen, VN-medewerkers en rebellen te vragen wat zij van u vonden.

Episode I draait om mezelf, maar afgezet tegen het grote drama van de oorlog die toen in Tsjetsjenië woedde, en de mediatisering ervan; van de economie die daaromheen zit. Al die elementen waren toen al aanwezig.”

Hoe bent u vervolgens in Congo beland?

“Het plan om mezelf op een plantage te installeren om daar kunst te maken is al heel oud, ik denk dat ik 24 was toen ik met dat doel in Suriname heb rondgereden. Later heb ik online onderzoek gedaan naar landen als Colombia, Rwanda en Niger. Achteraf is Congo wel het beste land, denk ik. Er was oorlog, het is een van de armste landen ter wereld, een land met een enorme export van cruciale metalen en met een lange geschiedenis van witte mannen die er de dienst uitmaakten.”

Hoe kijkt u terug op Enjoy Poverty?

“Ik heb mezelf op een bepaalde manier ingezet om een portret van de wereld te maken. Ik speelde een rol; normaal zeg ik niet de hele tijd: ‘Jij blijft arm, het komt nooit meer goed’.”

U hebt gezegd dat u Enjoy Poverty nu niet meer zo zou maken.

“Dat heb ik ook niet gedaan; White Cube is een heel andere film dan Enjoy Poverty. Ik heb niet gezegd dat ik die film op een andere manier had willen maken; Enjoy Poverty is goed zoals ie is. Ik neem niks terug van de film; het was toen, op dat moment, de juiste film.”

“Ik ben nu anders dan toen. In Enjoy Poverty toon ik een afgesloten wereld: er is een probleem en daar zijn geen oplossingen voor. Maar ik wist tijdens het monteren, en misschien ook al wel tijdens het draaien of zelfs al voor de opnamen, dat Enjoy Poverty in het kunstcircuit zou worden vertoond. Dat wordt ook benoemd in de film: ‘Jullie gaan ’m niet zien, jullie gaan er niet beter van worden, maar er zijn andere mensen die ’m wel gaan zien en die er naar alle waarschijnlijkheid wél beter van gaan worden.’ The proof was in the pudding toen de film een succes werd en over de hele wereld werd vertoond.”

Op dat moment komt een wat sjofele jongeman naar het bankje gelopen. “Excuse me, do you have some coins?” zegt hij, “I want to buy some food. Please.” “I only have dollars,” antwoordt Martens terwijl hij in zijn broekzak voelt.

O no, it’s Swiss money. Here you are; two Swiss francs.” “Thank you very much,” zegt de man en hij stiefelt weer door.

“Hij bewijst mij een dienst,” zegt Martens vervolgens. “Ik kan nu wat geld weggeven. Dat is goed voor een mens. Ik ben twee franc lichter. Verlicht, zou je kunnen zeggen.”

“Maar goed, Enjoy Poverty. Je kunt dus een kritische film maken over armoede, die daar bovenop toont dat ­kritisch zijn over armoede niemand op die plantages iets oplevert. Die kun je vervolgens in Tate Modern laten zien – en daar gebeurt er plots wel iets.”

“Tate Modern werd een van de grootste, best bezochte kunstmusea van de wereld, en dat was essentieel voor het rebranden van London als ­global city, met dito investeringsklimaat. Dit alles gesponsord door plantagearbeid door Unilever – het wereldwijde hoofdkantoor staat aan de andere kant van de Theems.”

“Unilever heeft zijn naam geplakt op The Unilever Series in de Turbine Hall van het Tate Modern; ze tonen de grootste kunstenaars ter wereld. Dat doen ze uit winstbejag; om meer shampoo te verkopen, en deel uit te maken van een nieuwe, hippe economie. Het zij ze gegund.”

“Het probleem is dat kunstenaars niet de volle mogelijkheden van kunst uitbuiten. Het is mogelijk als kunstenaar om deze mechanismen – kunst trekt kapitaal aan en legitimeert het ook – zelf in te zetten. Zo heb ik het omgekeerde gentrificatieproject bedacht. Het is een poging om ervoor te zorgen dat de opbrengsten van kritische kunst niet enkel in global cities terechtkomen, maar ook bij die plantagearbeiders in Congo. En met dat geld kunnen ze vervolgens hun land terugkopen van Unilever en daar inclusieve, ecologische voedselbossen neerzetten.”

Waarom moest er een White Cube verrijzen op de plantage in Lusanga?

“De White Cube is de plek waar kunst wordt gelegitimeerd. Het gaat er overigens niet om wat zich in de White Cube afspeelt, maar om wat er buiten de White Cube gebeurt.”

Was dat niet gebeurd als de White Cube er niet had gestaan?

“Dat weet ik niet. Maar als ik mijn film niet White Cube had genoemd, had ik geen geld gekregen om ’m te maken. In de film zeg ik: ‘In order to build a platform and attract capital, we decided we needed a museum. And we found some funders to make it happen.’ Het is een perpetuum mobile. Zo werkt elk museum; je moet er wat geld in stoppen en dan komt er meer geld weer uit.”

U hebt de White Cube laten ontwerpen door OMA, het ontwerpbureau van Rem Koolhaas, dat ook gebouwen maakt voor de Chinese staatsomroep.

“Als je mee wilt tellen in de kunstwereld, moet je geen bamboehut neerzetten. Dan is het cruciaal dat er een ­kundige architect mee aan de slag gaat. In dit geval was dat David Gianotten van OMA, met steun van de Congolese architect Arsène Ijambo.”

De White Cube is geopend in 2017, waarom heeft uw film nog zo lang op zich laten wachten?

“De laatste opnames van de landaankoop dateren uit 2019. En de montage was een helse klus, want ik had mijn vriend Dareck Tuba gezegd: film alles maar, dan zien we achteraf wel hoe we er een film van maken. Dat viel tegen, want ik had meer dan 700 uur materiaal.”

U bent intussen alweer bezig met een nieuwe film, op dezelfde plek en met dezelfde mensen: The Gospel According to Matthew, waarin Jezus terugkeert als plantagearbeider.

“Daar moet ik nog mee beginnen, ik heb alleen nog maar een aanzet tot een scenario. Ik ben al een jaar niet in Congo geweest, maar hopelijk kan ik er binnenkort wel weer naartoe. Nu zien we elkaar via Skype en Zoom. Zo zal ik ook de première van White Cube in Lusanga bijwonen.”

Beeld Max Pinckers

Renzo Martens’ White Cube gaat 21 november simultaan in ­wereldpremière op Idfa en in de White Cube in Lusanga, Congo.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden