Plus Ten Slotte

Walter Becker (1950-2017): Breinbaas achter Steely Dan

In de zomer van 1970 reageerden Walter Becker en zijn vriend Donald Fagen op een advertentie van gitarist Denny Dias in The Village Voice: 'Looking for keyboardist and bassist. Must have jazz chops! Assholes need not apply.'

Walter Becker tijdens een optreden in 1993 Beeld Eber Roberts/Getty Images

Becker en Fagen, die elkaar in 1967 hadden leren kennen op Bard College, een kleine universiteit in Annandale-on-Hudson in de staat New York, speelden respectievelijk basgitaar en toetsen en waren bovendien grote jazzliefhebbers. En ze waren ook geen eikels.

Becker en Fagen hadden nog meer gemeen. Ze hielden beiden van W.C. Fields, de Marx Brothers, sciencefiction, Nabokov, Vonnegut en van soul en Chicago blues.

Dias kwam er al snel achter dat hij met het duo meer kreeg dan hij had gevraagd. Becker en Fagen ontpopten zich als de breinbazen van de groep, die Steely Dan ging heten, naar de pratende dildo uit Burroughs roman Naked lunch, die muziek maakte die tot dan nog niet bestond en die een geniale synthese was van alles waar ze van hielden. Ook de cryptische en meestal humoristische teksten schreven ze zelf.

Gitaarsolo
Dias, Becker en Fagen verhuisden van New York naar California, waar ze met drummer Jim Hodder, gitaristen Elliott Randall en Jeff Baxter (vanwege zijn winderigheid the skunk genoemd) en zanger David Palmer in 1972 hun geweldige plaat Can't Buy a Thrill opnamen. Dias bereikte rockonsterfelijkheid met zijn elektrische-sitarsolo op Do It Again. Becker en Fagen deden hetzelfde met hun songwriting, vol akkoordprogressies uit de jazz en tegelijkertijd vol poppy hooks.

De volgende, Countdown to Extacy (1973), was al even briljant. Op de plaat daarna, Pretzel Logic (1974) stond hun grootste hit, Rikki Don't Lose That Number en op Ellingtons East St. Louis Toodle-Oo verraste Becker iedereen met zijn wahwah-gitaarsolo. Dat kon hij dus ook. Drie platen later, op Aja (1977), hield hij zich als gitaarsolist staande naast een grootheid als Larry Carlton.

Drugsproblemen
Na Pretzel Logic verlieten Dias en Baxter de band, omdat Becker en Fagen eindeloos werken in de studio prefereerden boven liveconcerten. Vanaf dat moment was Steely Dan een duo. Voor Katy Lied (1975), The Royal Scam (1976) en Aja (1977) huurden Becker en Fagen telkens de beste muzikanten in die ze konden vinden, van drummers Hal Blaine, Jeff Porcaro en Steve Gadd tot bassisten als Chuck Rainey en Wilton Felder, zanger Michael MacDonald, saxofonisten Phil Woods en Wayne Shorter en een eindeloze stoet gitaristen, met Carlton als constante factor.

Vanwege drugsproblemen werd Becker voor Fagen een steeds lastigere partner. Met moeite maakten ze nog één plaat, Gaucho (1980); niet hun beste. Om zijn demonen te overwinnen verhuisde Becker naar Maui, op Hawaii. Pas na tien jaar was het contact tussen de twee oude vrienden hersteld. Becker produceerde in 1993 Fagans tweede soloplaat Kamakiriad. Een jaar later was Fagen de producer van Beckers soloplaat, 11 Tracks of Whack.

Toch zou het nog tot 2000 duren voordat er weer nieuw werk van Steely Dan uitkwam. Na Two Against Nature, hun eerste studioalbum in twintig jaar, volgde ook nog Everything Must Go (2003), waarop Becker voor het eerst als leadzanger was te horen. Hij speelde ook weer basgitaar op alle nummers.

In de jaren daarna waren ze vooral live actief, onder meer in de Dukes of September Rhythm Revue, waarin ze samen met MacDonald en Boz Scaggs hun grootste hits speelden.

Zondag is Walter Becker overleden aan een nog niet bekendgemaakte kwaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden