PlusVoorpublicatie

Voorpublicatie: biografie over Nescio van Lieneke Frerichs

Begin juni verschijnt de langverwachte biografie van Lieneke Frerichs over het leven en werk van J.H.F Grönloh, de man die schreef onder het pseudoniem Nescio. Een voorpublicatie uit zijn persoonlijke kronieken over de hongerwinter.

Litho van Nescio, gemaakt rond 1984. Beeld Henk Kraaijenbrink / Literatuurmuseum
Litho van Nescio, gemaakt rond 1984.Beeld Henk Kraaijenbrink / Literatuurmuseum

Grönloh benut de kerstdagen voor een lange brief. Ze hadden het zich op hun manier en naar de omstandigheden wat gezellig gemaakt met opgewarmde boterjanhagel uit een blikje van 1940, een kleine roze cyclaam en een half onsje tabak als kerstcadeaus. Na het eten ‘hebben wij lang in donker gezeten en gepraat en van alles gezongen. Buiten was heldere maneschijn, eerst was het lang dag gebleven met dat heldere weer, er waren wat flauwe sterren. Het was heel gezellig, zoo schijnt alles eenige vergoeding mee te brengen. Je beleeft nu dingen die je nooit beleeft en dit leven op leven en dood brengt je weer nader tot elkaar.’

Maar vervolgens gaat het toch weer over eten: over suikerbieten en hoe jammer het is dat ze niet eerder wisten dat het maken van stroop zo doodeenvoudig was. De buren helpen elkaar en trekken samen op, ze komen geregeld op hun warme fornuis een kliekje opwarmen. ‘Daar buiten de wereld van het gajes, die je met alles afzetten en bedonderen.’

(…) Op tweede kerstdag liep hij naar Belcampo; die bleek overal op het platteland relaties te hebben en ging vrijdag naar Nieuwkoop. ‘Mijn relaties kunnen alleen verzen voor me opzeggen, behalve jullie gelukkig.’ Grönloh wil met hem op suikerbieten uit. Maar dat tochtje loopt anders, zoals blijkt uit het op zondagmiddag 31 december geschreven verslag: ‘Belcampo is niet gekomen. Hij heeft Woensdag een boodschap bij de buren afgegeven datti plotseling naar de Wieringermeer moest. Toen ben ik Vrijdag met Leo (benedenbuurman Leo de Pater) gegaan, om kwart voor tienen weg, om 4 uur terug.’

‘Het was een lentedag, ofschoon het ’s nachts wat had gevroren: zonnig, stil van wind, wat nevelig, een heel bizondere dag zooals er niet ieder jaar een voorkomt, lenteweer met witgevroren wegen en schaatsen­rijders op de Poel. Het seizoen is zoo goed als voorbij, maar we hebben wat gekregen op een boerderij op zij van de Kwakel, iets naar Aalsmeer toe, 21 km van huis. Er was een afrit van den weg naar ’t erf, die hadden ze versperd met een ladder en daar stonden we met ons twintigen zoo wat voor te hunkeren.’

‘Twee dames zagen we bij het huis spreken met den boer. Die waren “op audientie.”De boer zwaaide met z’n armen en zette een bollen rug en liep z’n huis in, maar ze lieten niet los, als hij binnen was bleven ze voor z’n deur staan. Zoo heb ik daar anderhalf uur gestaan met Leo, andere stonden er langer, misschien veel langer. En maar probeeren te begrijpen wat daar omging: Hij doet ’t, hij doet ’t niet. ‘

‘Om 12 uur ging de boer eten, de dames bleven voor z’n deur en wij bleven kijken. Tegen kwart voor een kwammi er uit. Weer begonnen die dames te praten, weer zwaaideni met z’n armen en maakte bolle ruggen. Toen kwam ‘de vrouw’ er uit. Hoop bij de hunkeraars. De dames praatten maar.’

‘Om kwart over eenen begaven de dames zich plotseling achter de schuur die naast ’t haast (huis) stond. Er kwam beweging. We kropen als dieren over den grond onder de ladder door en hielpen mekaar’s fietsen er over te tillen. Daar kwamen ze achter de schuur vandaan, de boer had geen zin achter de weegschaal te staan en z’n zoon wou schaatsenrijden. De dames waren naar den zoon geloopen om te praten en daar stonden we dan bij elkaar en er kwam een knecht bij met een hooivork en toen zei de boer: “Maak ’m dan maar los.”

‘Ze waren zoogenaamd gekuild, maar die kuilen zijn lange dakvormige hopen, met stroo gedekt, als een prentje uit ‘Het Ur der Chaldeeën’ of zooiets. De knecht klom er op, wij moesten achteruit zoodatti met z’n hooivork het stroo aan den korten voorkant eraf kon schuiven en toen mochten we zelf onze zakken vullen, Leo en ik stonden vooraan. De zoon stond achter de weegschaal. Het kostte een krats, we hadden ieder 28 of 29 kilo.’

‘Maar voor geen tien maal den kosten der prijs zou ik ’t karweitje op nieuw willen doen, zelfs niet op zoo’n ongelooflijken lentedag met ijs, tusschen Kerstmis en Nieuwjaar. En maar trappen, in Amstelveen moest ik twintig minuten in een cafétje zitten, in een klein vol achterkamertje (eerst door de stal), met een kookkacheltje en drie tafels, en een jongeman met een ransel, waar boerenkool uitstak (en met schaatsen) en nog een jongmensch en de waardin en twee oue heeren die warme wijngrog! dronken. Het was er lekker warm, wij hebben er heel goede koffiesurrogaat gedronken, anders was er voor ons niets te krijgen. Gelukkig had ik eraan gedacht, twee sneedjes brood met een plakje kaas meetenemen, die had ik hunkerend bij die ladder al opgegeten.’

‘Toch heb ik de tocht heel goed doorstaan. Ik was wel erg moe, maar knapte later op. Os heeft van de 1,3 kilo suikerbiet met een half geraspt appeltje er door bijna een half pond stroop gekookt, een beetje vloeibaar en erg zoet maar een kostbaar bezit. Van de pulp met een beetje meel heeft ze koekjes gemaakt en ze zeggen dat je er heerlijk brood en pannekoeken van kunt bakken. We zullen alles probeeren’. Met de toevoeging aan het slot: ‘Op die tocht naar de Kwakel heb ik wel alles uit me moeten halen wat er in zat.’

Gecompliceerde man

In 1918 verschenen de verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje voor het eerst in boekvorm. In de loop der tijd maakte J.H.F. Grönloh (1882-1961) zich bekend als de man achter dit pseudoniem, maar handelaar Grönloh hield zichzelf buiten de literaire wereld. Uit niet eerder gepubliceerde fragmenten uit dagboeken, brieven en andere persoonlijke documenten rijst het beeld op van een gecompliceerde man. Zijn jeugdjaren worden beschreven, zijn idealistische eigen ‘Titaantjes’-periode te midden van de wereldverbeteraars in het Gooi, zijn verliefdheid op Agathe Tiket, het gezinsleven met vier dochters en zijn carrière van kantoorbediende tot directeur. In deze passage uit Een Amsterdammer in de hongerwinter. Juni 1944-mei 1945 woont Nescio met zijn vrouw, die hij ‘Os’ noemt op de Lin­naeushof in de Watergraafsmeer. De brieven zijn gericht aan de familie in Groningen (twee dochters, schoonzoon en hun kinderen). De schrijver Belcampo was een goede vriend.

Een dag later begint de kroniekschrijver opnieuw aan een brief, en opnieuw een lange. Hij kan wel aan de gang blijven, schrijft hij, want niet de helft van wat hij ziet, hoort en ondervindt komt in zijn brieven. Het is Nieuwjaarsdag en hij geeft een dierbaar verslag van hun beider oudejaarsavond 1944: eerst wat zitten in het donker, half in slaap en in mineurstemming, die verdreven werd door een half uurtje jokeren.

Toen ging Os een schaaltje appelkoekjes bakken met het laatste beetje olie, ze lazen wat en tegen half twaalf was er een ‘soupertje’ van ieder twee boterhammetjes en een half kopje chocola. Het gaf een echt rijk gevoel. Buiten werd zelfs wat vuurwerk afgestoken, wat erg kinderlijk leek in oorlogstijd.

Grönloh geeft nog een kleine correctie op de vorige brief, want taal is belangrijk: de boer zei ‘Maak ze dan maar open’, dus in zuiver Nederlands, en niet ‘los’. In het knusse volle boerencafé in Amstelveen hadden ze vrijdag nog aardige spookverhalen gehoord over niet begraven lijken wegens gebrek aan doodskisten, kraaien, paarden en koetsen. ‘Het was puur Dickens 1830.’

null Beeld

Non-fictie

Lieneke Frerichs
Nescio – Leven en werk van J.H.F Grönloh
Van Oorschot, €39,50, 576 blz.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden