PlusFragment

Verzameld werk Renate Rubinstein: verrassend en niets of niemand ontziend

Ze was, onder de naam Tamar, de eerste columnist van Nederland. Het verzamelde werk van Renate Rubinstein is onder de titel Bange mensen stellen geen vragen bezorgd door Ronit Palache. Hier een gedeelte uit haar inleiding over de ‘koningin van de autonomie’.

Op 9 september 1961 verscheen het eerste stukje van Renate Rubinstein (hier op de foto met Annie M.G. Schmidt en Peter Vos in 1988) in Vrij Nederland, zij was daarmee de eerste columnist van Nederland.Beeld Hollandse Hoogte/Bert Verhoeff

In de Nederlandse kranten verschenen al wel regelmatig cursiefjes van mensen als Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, maar iemand die vanuit een ­persoonlijk gedreven opinie de wereld bezag, was een compleet nieuw fenomeen binnen de Nederlandse journalistiek. Gek eigenlijk als je bedenkt dat je vandaag de dag geen krant of tijdschrift kunt openen zonder iemands mening van je af te moeten slaan. Bij sommige kranten begint dat ritueel al op de voorpagina. Om nog maar te zwijgen over internet: naast feitelijke en vooral vaak feitenvrije informatie, in zekere zin één grote vergaarbak van persoonlijke opvattingen en ideeën.

Renate Ida Rubinstein (op haar expliciete verzoek uit te spreken als Ru-bin-stein en niet Roe-bin-sjtaijn) was met haar debuut op 9 september 1961 de eerste columnist van Nederland. Het stukje verscheen op de vrouwenpagina, dat wel. Geheel in stijl maakte ze daar in haar eerste stukje, Intree, al gehakt van: ‘Ik ken geen krant die er een mannenpagina op na houdt.’

Luid hoorbaar

In een tijd die zo gepolariseerd is als de huidige zou ik er veel voor overhebben om te weten hoe ze stond tegenover de kwesties die de samen­leving van nu in grote mate bepalen: #Metoo, Black Lives Matter, de vluchtelingencrisis, ­klimaatverandering (ze was behoorlijk ‘groen’ voor haar tijd), Trump en de coronacrisis. Haar column verscheen onder het pseudoniem ­Tamar: Hebreeuws voor ‘dadel’ en ‘palmboom’, de naam die zij zichzelf aanmat tijdens haar ­Israëlische jaren: ‘Iemand zei dat het dadelpalm betekende en dat vond ik heel mooi. Ik voelde me daar als een dadelpalm uitsteken boven al die kleine mannen.’

Ze had vrij snel een trouwe schare fans. Eens per week viel Vrij Nederland op de mat en in bepaalde kringen was wat Renate te zeggen had, écht iets om naar uit te kijken. Bovendien druiste wat zij schreef vaak lijnrecht in tegen de signatuur van het blad. De rol van het weekblad was sowieso anders dan vandaag de dag, en helemaal bij Vrij Nederland, dat nu slechts nog maandelijks verschijnt.

De lengte van haar stukken varieerde behoorlijk. Een columnist krijgt doorgaans een vast aantal woorden mee als opdracht, een krant moet immers worden opgemaakt en de woorden moeten overeenkomen met de plek die ervoor gereserveerd is. Maar bij Renate lag dat anders. Zij wilde zich niet laten vastpinnen op een specifiek aantal woorden, laat staan op een gereserveerde plek. Zij veroverde haar eigen plek wel, want iedere week wond ze zich wel over íéts op, of vond ze een variatie op een eerder thema. En iedere week had die opinie een eigen lengte.

Toen ik Marian Husken, destijds werkzaam bij Vrij Nederland, hiernaar vroeg, antwoordde zij dat wanneer zij de stukken van Renate in ­ontvangst nam, het inderdaad zo kon zijn dat de column de ene week één A4’tje betrof en de volgende (meestal) vier: ‘We maakten gewoon ruimte in de krant voor wat zij te zeggen had.’

En dat was veel en luid hoorbaar. Haar toon was in de 29 jaar dat ze, met twee korte tussenpozen, voor het blad schreef van begin af aan verrassend, talig en regelmatig niets of niemand ontziend. Ze was erudiet en haalde meer dan eens grote (literaire) voorbeelden aan, van wie ze er talloze had en die ze grenzeloos trouw was (volgens het adagium ‘de vijand van mijn vriend is mijn vijand’): van Mary McCarthy en Hannah Arendt tot goede vriendin Annie M.G. Schmidt en van Kurt Tucholsky en Dick Hille­nius tot Karel van het Reve.

Haar hechte vriendengroep figureerde regelmatig in die stukken. Ze hoefde het in hun geval en bij hoge uitzondering niet eens te zijn met hun standpunten om hun namen toch (met enige trots) op te voeren.

Geen groot grijs gebied

Ze was goed in het ophemelen van mensen, ze op een voetstuk te plaatsen. In haar column zegt ze daarover: ‘Het is niet makkelijk om scherp en kritisch te schrijven over iemand wiens werk niet deugt, maar met wie je samen heel wat afgelachen hebt’ en in een interview met Jan Brok- ken: ‘De persoonlijke banden tellen meer dan de verschillen van mening, hoe hartstochtelijk die ook zijn. Misschien is dat wel iets rechts van mij, om wat E.M. Forster personal relationships noemt belangrijker te vinden dan standpunten.’

Ze leek het heerlijk te vinden om zich te om­ringen met mensen aan wier kennis ze zich kon laven, die ze regelmatig raadpleegde om vervolgens meestal toch haar eigen pad te kiezen. Tussen de mensen die volgens haar niet deugden (tamelijk veel) en haar helden (eveneens een boel) zat geen groot grijs gebied.

Het stoorde haar ook geenszins om ongebreideld reclame te maken voor de boeken, toneelstukken of kunstwerken van haar vrienden, of de bundels die ze zelf publiceerde (verzamelingen van haar columns onder titels als: Naar de bliksem? Ik niet, Twee eendjes en wat brood en Overgangscursus). Die vorm van zelfpromotie (soms schreef ze er zelfs een gironummer onder waarmee men een gesigneerd exemplaar kon bestellen!) zou nu toch minder vanzelfsprekend zijn, typische conventies die niet aan haar ­besteed waren.

Haar messcherpe en regelmatig behoorlijk ­humorvolle ad hominem-offensieven gericht tot mensen als K.L Poll (voormalig NRC-recensent), Wim Crouwel (ontwerper), Charlotte ­Mutsaers (schrijfster), Wim Wertheim (jurist en socioloog) of Piet Grijs (pseudoniem van Hugo Brandt Corstius) waren ontelbaar en als zij zelf werd aangevallen liet ze geen kans onbenut om terug te slaan, haar visie uiteen te zetten, soms weken achtereen, op het drammerige af.

Kennelijk beroerde het haar toch wat anderen van haar vonden, want de moeite die ze nam zichzelf of haar standpunten te verdedigen was eindeloos. Het aan de ene kant autonoom zijn (‘als ik geclaimd word, word ik balorig’) en aan de andere afhankelijk zijn van andermans oordeel en daar publiekelijk tegenin gaan, typeert een van de vele paradoxen die haar evenzeer kenmerken als haar eigengereidheid.

Renate Rubinstein, Bange mensen stellen geen vragen, De Arbeiderspers, €27,50, 512 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden