Plus Interview

Vertaler Aai Prins: ‘Vertalen is een worsteling, maar wel een fijne’

Aai Prins (1959) vertaalt Russische literatuur. Gogol, Tsjechov, Platonov. Voor haar vertalingen ontvangt ze op 13 december de Letterenfonds Vertaalprijs 2019. ‘Met de jaren wordt de angst om het verkeerd te doen wel groter.’

Aai Prins: ‘Als het in het Russisch knarst, moet het ook in het Nederlands knarsen.’ Beeld Hilde Harshagen

Dat enorme boek dat daar als een altaarstuk bij Aai Prins thuis op tafel ligt, is Het Groot Russisch-Nederlands Woordenboek van W. Honselaar. Het stofomslag toont ­tekenen van zeer intensief, hongerig gebruik: we zien vlekken, scheuren, ontbrekende hoekjes.

Prins gebruikte het onder meer voor het ver­talen van Verhalen van Andrej Platonov, dat dit jaar verscheen in de Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Eerder vertaalde ze werk van bijvoorbeeld Gogol, Pasternak en Tsjechov. Voor de hoge kwaliteit van haar vertalingen kreeg ze in september de Letterenfonds Vertaalprijs 2019 toegekend.

Perestrojka

Het begon allemaal met de Russische schrijver Anatoli Rybakov. “Ik was klaar met mijn studie Russisch, midden jaren tachtig. Het leek me geweldig literair vertaler te worden. Ik had die prachtige Russische Bibliotheek van Van Oorschot voor ogen, waarvan delen bij half weldenkend Nederland in de kast stonden. En dat mijn naam dan in zo’n deel zou staan...”

“Maar er werd niet heel veel vertaald uit het Russisch. En je had Charles B. Timmer en Karel van het Reve, en die moesten, om het even cru te zeggen, eerst dood voor ik aan de beurt was. Ik had de mazzel dat Michail Gorbatsjov zijn hervormingspolitiek aan het doorvoeren was, de perestrojka.”

De literaire grenzen gingen open en uitgeverij Bert Baker kocht Rybakovs Kinderen van de ­Arbat, het eerste deel van een tetralogie over het leven in de Sovjet-Unie onder Stalin. Een boek dat internationaal enorm werd gehypet. Ook omdat Stalin als personage werd opgevoerd, wat tot dan toe in de Sovjet-Unie onbestaanbaar was.

Aai Prins staat op en pakt de in 1987 verschenen roman uit de kast. “Om de Engelse vertaling voor te zijn, werd enorme haast gemaakt met die vertaling. Er werden verschillende vertalers aangezocht, en Frans Stapert, vanaf het eerste jaar een studiegenoot, vroeg mij erbij. Met z’n vieren hebben we dat boek toen vertaald. Ja, dat was mijn eerste echte literaire vertaling.”

Ze legt haar hand op Kinderen van de Arbat, maar slaat het niet open. “Ik durf het nu eigenlijk niet meer in te kijken... Het was overigens niet erg ingewikkeld om te vertalen. Socialistisch realisme, niet erg literair hoogstaand. Precies goed voor een beginner.”

Maar het markeerde wel het begin van haar carrière als literair vertaler, want ze beviel blijkbaar zo goed dat ze sindsdien altijd genoeg werk heeft gehad. “Ik werkte toen nog part-time bij de S.O.S. Alarmcentrale. Auto’s en personen. Gipsvluchten in de kerstvakantie, mensen met panne langs de weg. ‘Er komt rook uit de motor!’”

In 1994, Prins regelde al geen gipsvluchten meer, verschenen haar eerste vertalingen in de prestigieuze Russische Bibliotheek: De witte garde en Aantekeningen van een jonge arts van Michail Boelgakov.

“Je wilt dat deel zien?” Ze staat op. “Mijn vriend heeft, nadat ik die prijs kreeg toegekend, al mijn vertalingen bij elkaar gezet, dus daar moet ie tussen staan. Zul je net zien dat... Verrek, ik zie hem niet staan.”

Luie lezer

Ze gaat weer zitten. Geeft Kinderen van de Arbat een duwtje. “Meteen zeven drukken. Dat heb ik daarna niet meer meegemaakt. Dus ik ben wel een beetje verwend begonnen... Ik ben trouwens de enige van de vier vertalers die nog in ­leven is. Ja, snel afkloppen.”

Als een kind met een schoon schrift en nieuwe pennen. Zo beziet Aai Prins het als ze aan een nieuwe vertaling gaat beginnen. Ze begint met een eerste snelle vertaling, om de vaart erin te houden, en gaat er dan goed voor zitten. Close reading, mensen raadplegen, andere vertalingen ernaast leggen.

“Ik werk hier thuis, boven in een kamertje. Heerlijk, nergens heen hoeven. Natuurlijk is vertalen een worsteling, maar wel een fijne worsteling. Maar met de jaren wordt de angst om het verkeerd te doen wel groter. Omdat je steeds meer weet, en hoe meer je weet, hoe beter je weet dat het fout kan gaan. Je kent de valkuilen, weet dat je nooit komt tot een ideale vertaling.”

En nee, ze schrijft niet een ‘nieuw’ boek als ze vertaalt. “Ik vertaal andermans boek. Mijn streven is om zoveel mogelijk de stem van de auteur door te laten klinken. Er zijn verschillende ­vertaalopvattingen. Het makkelijker, gezelliger maken voor de lezer bijvoorbeeld. Platonov ­gebruikt rare woorden. Als er van een woord ­zeventien betekenissen zijn, gebruikt hij vaak de zeventiende. Het klopt, maar het is wel vreemd. Hij doet dat met veel woorden in een zin. Dat ga ik niet gladstrijken. Dan doe je hem geweld aan. Als het in het Russisch knarst, moet het ook in het Nederlands knarsen. Ik maak geen knieval voor de luie lezer.”

Altijd te laat

Om vervolgens bijna te verkondigen dat ze zelf een luie lezer is. “Of het de taal is die betovert of het verhaal, als ik aan een vertaling bezig ben?

Ik denk dat ik voor het verhaal ga. Nou ja, in Platonovs verhaal De sluizen van Jepifan draagt de taal bijvoorbeeld echt bij aan het treurige, tragische van het verhaal. Dat kun je niet van elkaar scheiden.”

Ze is nu bezig aan een volgend Platonov-deel in de Russische Bibliotheek. “Ik verkeer in een zeer benijdenswaardige positie. Ondanks het feit dat vertalen nog steeds niet goed wordt betaald. Ik word door het Nederlands Letterenfonds heel goed bedeeld met werkbeurzen. Mijn uitgever is heel geduldig, want ik ben altijd te laat met inleveren. En ik krijg altijd goede schrijvers te vertalen, met de kans op herdrukken.”

Toch maar even vragen. Die naam: Aai. “‘Aai, kindje aai,’ dat zei mijn zusje tegen mij toen ik eenmaal geboren was. Die naam is blijven hangen. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit Marie-Claire ben genoemd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden