PlusAchtergrond

Van de bezemkast naar de IJoever: de roerige geschiedenis van het Eye-gebouw

Het futuristische Eyegebouw van het Weense architectenbureau Delugan Meissl is inmiddels niet meer weg te denken uit Overhoeks, maar aan de verhuizing ging een lange, roerige geschiedenis vooraf.

Eye werd in The New York Times omschreven als ‘an intergalactic cruiser out of Star Trek’ en ‘een cultureel ankerpunt’. Beeld Hollandse Hoogte / Kim van Dam
Eye werd in The New York Times omschreven als ‘an intergalactic cruiser out of Star Trek’ en ‘een cultureel ankerpunt’.Beeld Hollandse Hoogte / Kim van Dam

Heel acterend en filmmakend Nederland was erbij, die miezerige woensdagavond 4 april 2012, waarop koningin Beatrix met een druk op een rode knop Eye Filmmuseum opende. En iedereen kreeg de vraag voorgelegd waarom het museum er zo nodig moest komen.

“Omdat film een volwassen tak van kunst is die ook een museum verdient,” antwoordde actrice Nelly Frijda voor een van de vele draaiende camera’s die langs de rode loper stonden opgesteld. “Voor de opleiding van jonge filmprofessionals, die daar veel kunnen leren, en om films als Turks fruit, die helemaal gerestaureerd is, op een groot scherm te zien,” zei Barry Atsma. “Maar ook voor een broodje aan het IJ; het is een fantastische plek om gewoon even te zitten.” En Jeroen Krabbé jubelde: “Als je dit gebouw in New York had gezien, had je gezegd: waarom hebben wij dit niet! En nu hebben we het!”

Inmiddels is het futuristische gebouw van Eye niet meer weg te denken uit Overhoeks, maar er ging een lange, roerige geschiedenis vooraf aan de verhuizing.

Die begint op 22 juli 1946 als voormalig voorzitter van de filmkeuring David van Staveren en de bioscoopexploitanten Paul Kijzer en Piet Meerburg het Nederlands Historisch Filmarchief (NHFA) oprichten. Meerburg werd de eerste directeur van het archief, dat ‘het verzamelen van esthetisch/historische- en experimentele films, die de totale geschiedenis van de filmkunst weergeven’ als doel had.

Koningin Beatrix samen met burgemeester van der Laan en Commissaris van de Koningin Johan Remkes bij de opening van het filmmuseum op 4 april 2012. Beeld
Koningin Beatrix samen met burgemeester van der Laan en Commissaris van de Koningin Johan Remkes bij de opening van het filmmuseum op 4 april 2012.

Filmgek annex filmverzamelaar Jan de Vaal – een neef van Kijzer – kreeg de dagelijkse leiding over het ‘instituut’, vanuit een achterkamertje (‘de bezemkast’) van bioscoop Kriterion. In 1947 volgde hij Meerburg op als directeur. Tot zijn startkapitaal behoorde een voorraad avant-gardefilms afkomstig uit De Uitkijk – een erfenis van de vooroorlogse Nederlandsche Filmliga. Sommige films waren zeer zeldzaam, waardoor het Filmarchief al snel internationaal meetelde.

Voorstellingen in het Stedelijk

Op instigatie van Willem Sandberg, de visionaire directeur van het Stedelijk Museum, die vond dat film als jongste kunstvorm in een museum voor moderne kunst thuishoorde, verhuisde het NHFA in 1952 naar het Stedelijk. Er kwam een nieuwe naam, Nederlands Filmmuseum, en in de aula was eindelijk ruimte voor publieke filmvoorstellingen. Bij het draaien van de superbrandbare nitraatfilms stond altijd een emmer water gereed.

Eind jaren vijftig trokken de voorstellingen in het Stedelijk jaarlijks zo’n 10.000 bezoekers. Ondertussen ging De Vaal door met waar hij goed in was: verzamelen. In 1957 verwierf hij de filmcollectie van filmpionier Jean Desmet, met meer dan 900 films uit de periode 1907-1916 (die sinds 2011 op de werelderfgoedlijst van Unesco staan). Begin ­jaren zestig omvatte de collectie meer dan 30.000 lange en korte films, en ook de filmboeken- en affichecollectie groeiden enorm.

Het Filmmuseum moest op zoek naar ruimte, maar omdat de gemeente noch de rijksoverheid heel behulpzaam was, duurde het nog tot 1972 voordat de verhuizing naar het Vondelparkpaviljoen een feit was.

Ook daar kampte het museum echter al snel met ruimtegebrek. Na de officiële openingsexpositie – Amsterdam en film, in 1975 – bleef het aantal publieksactiviteiten beperkt. ‘Rond 1980 leek het Vondelparkpaviljoen meer op een mausoleum dan op een nationale tempel voor de filmcultuur,’ schrijft Annemieke Hendriks in haar boek Huis van illusies – De geschiedenis van Paviljoen Vondelpark en het Filmmuseum (1996).

Pareltjes uit de bunkers

In 1987 volgde Hoos Blotkamp De Vaal op als directeur. Zij zette veel meer dan haar voorganger in op toegankelijkheid en openheid. Waren er onder De Vaal drie voorstellingen per week, Blotkamp maakte er drie per dag van, waarbij het accent lag op de zwijgende cinema.

De Belgische schrijver-filmmaker Eric de Kuyper, die was aangesteld als adjunct, diepte het ene na het andere pareltje op uit de bunkers in de duinen, waar de filmcollectie van het Filmmuseum grotendeels was ondergebracht. Het leverde programma’s op die ook internationaal de aandacht trokken.

Maar het ruimtegebrek werd alleen maar nijpender. Het Vondelparkpaviljoen bevatte weliswaar twee fraaie filmzaaltjes, maar het was tot de nok toe gevuld met boeken, affiches en foto’s en was veel te klein om de ruim honderd (parttime) medewerkers te huisvesten. Keer op keer werden er locaties bij gehuurd, waardoor het Filmmuseum versnipperd raakte. In de loop der jaren had het vestigingen in Amsterdam, Overveen, Castricum, Vijfhuizen en Utrecht.

De jarenlange noodkreten bij het stadsbestuur waren aan dovemansoren gericht, waardoor directeur Blotkamp zich in 1998 genoodzaakt voelde een dramatische beslissing te nemen: zij aanvaardde het aanbod van Rotterdam om het Filmmuseum onder te brengen in een pakhuis op de Kop van Zuid. Daar zou het met onder meer het Nederlands Foto Instituut fuseren tot een Centrum voor Beeldcultuur.

Het Amsterdamse stadsbestuur schrok eindelijk wakker, en er ontbrandde een heuse stedenstrijd. Toen de rookwolken begin 2000 waren opgetrokken, waren Blotkamp en adjunct Ruud Visschedijk opgestapt.

Blotkamps opvolger Rien Hagen kreeg als belangrijkste taak het vinden van nieuwe huisvesting in Amsterdam. Om de geesten rijp te maken voor ruimere vertoningsmogelijkheden dan de zaaltjes in het Vondelparkpaviljoen, werd bioscoop Bellevue Cinerama aan de Marnixstraat gehuurd, waar grote(re) arthousetitels werden vertoond.

In 2005 presenteerde Hagen, in eendrachtige samenwerking met adjunct Rieks Hadders, een plan voor verhuizing naar Amsterdam-Noord, pal tegenover het Centraal Station. ING Real Estate moest daar op grond van de gemeente een fonkelnieuw pand neerzetten. Of eigenlijk: twee nieuwe panden: een museumgebouw met vier filmzalen, tentoonstellingsruimte, een winkel, een restaurant en een terras; én een centraal depot, op loopafstand van ­elkaar.

210.000 filmblikken

Het Weense architectenbureau Delugan Meissl kreeg de prestigieuze opdracht voor het ontwerp van het gebouw. De financiële crisis en de bouwcrisis maakten het nog even spannend, maar leidden uiteindelijk slechts tot een jaar vertraging: in april 2012 opende Eye Film Instituut Nederland, zoals het Filmmuseum na een fusie met drie andere filminstituten was gaan heten.

Sandra den Hamer, voormalig directeur van het IFFR, was Hagen inmiddels opgevolgd. “Het is geen make-over van het oude gebouw,” zei Den Hamer in de aanloop naar de opening. “We moeten onszelf in zekere zin opnieuw uitvinden; wie je bent, wat je doet. In het oude gebouw hadden we een tijdje een piepkleine tentoonstellingsruimte, nu hebben we 1200 vierkante meter, de grootste aaneengesloten expositieruimte van Amsterdam.”

Ondanks de nodige scepsis werd Eye al snel een succes, zowel de bioscoopzalen als de wisselende tentoonstellingen als het spectaculaire terras. Eye bleek bovendien een belangrijke aanjager van de verdere ontwikkeling van de noordelijke IJoevers. Een paar jaar later prees The New York Times Noord als the place to be als je in Amsterdam bent. Eye werd omschreven als ‘an intergalactic cruiser out of Star Trek’ en ‘een cultureel ankerpunt’.

In september 2016 werd het Eye Collectiecentrum aan de Asterweg geopend. In de acht depots van het Collectiecentrum (elk 300 m2 groot, in eentje is de temperatuur min 5 graden Celsius) liggen 210.000 filmblikken met Nederlandse filmgeschiedenis opgeslagen, maar ook met buitenlands werk dat in het land van herkomst niet meer te vinden is. Daarnaast biedt het Collectiecentrum onderdak aan 700.000 foto’s, 78.000 affiches, 27.000 boeken, bladmuziek, scenario’s en filmapparatuur. Er is een bibliotheek met werkplekken en een bioscoopje waarin studenten, wetenschappers en filmmakers digitale en analoge films kunnen bekijken. Ook is er een ‘restauratiestraat’; een gang met kamers waarin apparatuur is verzameld – oud en nieuw – waarmee alle soorten films kunnen worden afgespeeld en opgeknapt.

Met de opening van het Collectiecentrum staat Eye eindelijk op twee benen, meent directeur Sandra den Hamer: “We willen die prachtige films goed bewaren en toegankelijk maken, maar zonder het Collectiecentrum liepen we scheef. Dat is de keuken waar het wordt bereid, in Eye serveren we het uit.”

‘Ik mocht op de schouders van reuzen staan’

Eye Filmmuseum is in 75 jaar uitgegroeid tot een markant instituut met een internationale uitstraling. Vele mensen hebben aan dat succes bijgedragen. Vijf van hen vertellen.

Erik de Kuyper, adjunct-directeur, 1988-1992

“Hoos Blotkamp en ik vonden het belangrijk om het Nederlands Filmmuseum op een krachtige ­manier terug op de kaart te zetten. We benadrukten het lokale; dat het paviljoen in hartje Amsterdam lag. Daarbij kregen we veel steun van de media – ook van Het Parool. Daar hadden we ­geraffineerde strategieën voor, want Amsterdam was een ingewikkelde stad. Maar ik kende de weg wel; ik was in Nederland een beetje bekend als schrijver, had drie films gemaakt en in Nijmegen filmstudies ­opgezet.”

“Daarnaast vonden we het internationale aspect zeer belangrijk, dat we goed contact zouden hebben met de collega’s van andere cinémathèques. Het Filmmuseum zat op een enorme schat aan films, waarvan het grootste deel nog niet in kaart was ­gebracht. Dus collega’s uit Frankrijk, Italië, Duitsland en de VS kwamen bij ons om onderzoek te doen. En wij waren actief buiten Nederland; we hebben Il Cinema Ritrovato, het festival voor teruggevonden films in ­Bologna, helpen opzetten. Ook werden we op het stillefilmfestival van Pordenone al snel bekroond met de Premio Jean Mitry voor de beste cinémathèque.”

Peter Delpeut, adjunct-directeur, 1988-1995

“Ik was medeverantwoordelijk voor de creatieve presentatie van de vroegste film, traditioneel een winkeldochter van internationale filmarchieven en filmwetenschappers. Door vol in te zetten op het conserveren en restaureren van stille film in kleur en daar uitdagende muzikale en theatrale presentaties voor te bedenken, positioneerde het archief zich in de jaren negentig van de vorige eeuw aan de ­wereldtop van de internationale filmmusea en cinematheken. Archief en publiekspresentatie zijn nooit meer zo mooi samengegaan.”

Rien Hagen, directeur, 2001-2007

“We konden, doordat we een grote pot geld kregen voor de conservering en digitalisering van onze collectie, in 2007 het project ‘Beelden voor de toekomst’ beginnen. Dat was ook van groot ­belang voor de nieuwe huisvesting, waar Rieks Hadders en ik mee bezig waren. We zetten van meet af aan in op twee panden: een publieksgebouw, waarvan je vrij zeker kon zijn dat het op dure grond zou komen te staan, omdat we het in de nabijheid van mensen wilden; en een opslag, die je beter op een goedkopere plek kunt neerzetten. Rieks en ik hebben uitvoering ­gegeven aan de gehele ­voorbereiding, tot en met de bestektekeningen aan toe. Toen Sandra den Hamer begon, kon ze gaan bouwen. Ik had dat ­natuurlijk graag zelf gedaan, maar ik zat tegen mijn ­pensioen.”

Rieks Hadders, adjunct-directeur, 2001-2007

“Ik kijk met veel plezier terug op de strategie die Rien Hagen en ik hebben ontwikkeld om Eye voor elkaar te krijgen. Het Filmmuseum, dacht men destijds, is dat paviljoen in het Vondelpark waar twintig mensen werken. Overveen, Vijfhuizen, dat werd niet gezien. Wij hebben ervoor gezorgd dat we zichtbaarder werden; we huurden de ­Calypso en Cinerama aan de Marnixstraat, waardoor ons bezoekersaantal steeg van 30.000 naar ruim 100.000 per jaar. Daarnaast zochten we contact met ING Real Estate. De tergend trage nieuwbouw van het Stedelijk had ons doen inzien dat we ons beter niet op de overheid konden richten. Door de kredietcrisis hebben we één jaar vertraging opgelopen, maar anders had het ongetwijfeld een eeuwigheid ­geduurd – áls Eye er al was gekomen.”

Sandra den Hamer, directeur, 2007-heden

“Ik ben er trots op dat we dit museum hier hebben gerealiseerd. Dan doel ik niet alleen op de twee gebouwen, maar op de compleet nieuwe organisatie die het is geworden. We hebben heruitgevonden wat we willen zijn. Daarbij ben ik me er altijd bewust van geweest dat ik op de schouders van reuzen heb mogen staan. Niet alleen mijn voorgangers, maar alle filmmakers en kunstenaars wier werk wij mogen beheren en presenteren. We zijn trouwens nog steeds bezig met uitvinden; het is een continu proces.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden