Plus Interview

Valeria Luiselli: ‘Vluchteling is een abstract begrip’

De Mexicaanse schrijver Valeria Luiselli vraagt met de roman Archief van verloren kinderen aandacht voor de Latijns-Amerikaanse kinderen die zonder hun ouders de grens met de Verenigde Staten over willen steken.

Valeria Luiselli: ‘Niks autofictie, mijn ervaring zit alleen in ruwe vorm in de roman.’ Beeld Hollandse Hoogte / The New York Times Syndication

Nu de veelgeprezen Mexicaanse, in New York woonachtige, Valeria Luiselli een book tour langs veertig Amerikaanse staten achter de rug heeft om te praten over haar roman Archief van verloren kinderen, maakt ze nog een kleine promotiereis door Europa. Met natte haren van het zwemmen – Luiselli is net tussen alle interviews door even met haar 9-jarige dochter naar het Zuiderbad geweest – vervolgt ze haar pr-activiteiten. Ze probeert haar vermoeidheid te verbergen achter een beleefde glimlach, maar als de term ‘autofictie’ valt, kan ze haar ergernis niet verhullen.

Archief van verloren kinderen is een roadnovel waarin een samengesteld gezin op reis gaat naar Arizona. Het huwelijk van de ouders dreigt te ontsporen. Op de achterbank luisteren de jongen en het meisje naar de nieuwsberichten over de kindvluchtelingen die vanuit Centraal Amerika naar de Amerikaanse grens proberen te komen.

In 2015 werkte Luiselli als tolk voor Latijns-Amerikaanse kinderen die zonder ouders de Amerikaanse grens waren overgestoken en een aanvraag voor een verblijfsvergunning wilden indienen. Ze schreef er de essaybundel Vertel me het einde over (naar de vraag van één van haar kinderen die wil weten hoe het de kindvluchtelingen vergaat). Veel echo’s van deze eerder verschenen bundel weerklinken in de roman, waar de vluchtelingen zijn ingebed in een groter verhaal over ontworteld zijn.

Waarom zijn het twee afzonderlijk projecten geworden?

“Mijn doel was om aandacht te vragen voor een onderwerp dat tot dan toe compleet genegeerd was door schrijvers en kunstenaars. Dat probeerde ik aanvankelijk te doen in de vorm van een roman, maar dat lukte niet. Ik wilde bijvoorbeeld het taalgebruik van journalisten ter discussie stellen. Vluchtelingen worden ‘illegalen’ genoemd. Door ze zo te noemen criminaliseer je ze. Ik zou niet graag een roman lezen die een didactisch instrument is, laat staan dat ik zo’n roman zou schrijven. In mijn essays kon ik mijn politieke gedachten kwijt. Daarna was ik pas in staat om terug te keren naar de roman om op een meer gelaagde manier over het onderwerp na te denken. Een roman is een ruimte waar mensen plassen, vrijen, ruziemaken en scheiden. Daar kan veel meer.”

De verteller van de roman jaagt twee kindvluchtelingen na; de dochters van een moeder die ze op het schoolplein ontmoette. Heeft u deze kinderen ontmoet als tolk?

“Bij de rechtbank heb ik twee jonge meisjes van vijf en zeven uit Guatemala geïnterviewd, ik schreef ook over hen in Vertel me het einde. Omdat de meisjes zo jong waren konden ze hun verhaal niet goed vertellen, althans niet op zo’n manier dat ze de advocaten konden overtuigen om hun ‘zaak’ aan te nemen. Het verhaal was niet sterk genoeg om de rechters ervan te overtuigen dat ze recht hadden op een verblijfsvergunning. Het rechtssysteem discrimineert dus ook op leeftijd. Ik heb daarna nooit meer iets over die meisjes vernomen. Ik weet niet wat er met hen is gebeurd en dat verhaal achtervolgde me. De spookverschijning van hun afwezigheid vormt de motor van de roman.”

De kinderen van de verteller noemen de kindvluchtelingen ‘verloren kinderen’; is dat een meer adequate omschrijving?

“Vluchteling is een abstract, politiek en geïnstitutionaliseerd begrip. Voor kinderen die de politieke context niet begrijpen is ‘verloren kinderen’ een betere omschrijving die hen helpt om de afstand tussen hen en de kindvluchtelingen te verkleinen en hen helpt om het verhaal te begrijpen.”

Uw dochter was ook mee op de roadtrip die de romanpersonages maken. Hoe vindt ze het om in zekere zin deel uit te maken van uw fictionele wereld?

“Ze heeft het boek natuurlijk niet gelezen, maar ze krijgt er wel stukjes van mee als ze me bijvoorbeeld ergens hoort voorlezen. Dat vindt ze wel interessant. Ik heb mijn eigen ervaring in ruwe vorm in de roman verwerkt, maar het is geen persoonlijke biografie. Die dochter in de roman is niet mijn dochter.”

Criticus James Wood noemde het in The New Yorker ‘autofictie’.

“Daar ben ik het niet mee eens. Dat baseert hij op het soort toon, het soort verteller, maar die kwalificatie is vooral gebaseerd op mijn gender. Als een vrouw een boek schrijft, wordt het automatisch ‘autofictie’ genoemd, maar ik schrijf fictie en ben op geen enkele manier geïnteresseerd in het onderzoeken van autofictie. Natuurlijk gebruik ik veel materiaal uit mijn eigen leven, van mijn eigen kinderen, maar ik pik ook dingen op van de gesprekken die een paar wildvreemde kinderen in het park hebben.”

In de roman vraagt de dochter aan haar moeder om vier vakjes te tekenen en er de onderschriften ‘Personage’, ‘Setting’, ‘Probleem’, ‘Oplossing’ bij te zetten. Ze heeft geleerd dat je zo een verhaal moet vertellen. De verteller verzucht: “Slecht literatuuronderwijs begint veel te vroeg en gaat veel te lang door.” Uw zeer vrije werkwijze doet denken aan die van een beeldend kunstenaar. Het laatste hoofdstuk bestaat bijvoorbeeld helemaal uit polaroids.

“Mijn documentaireachtige benadering komt misschien inderdaad vaker voor bij beeldend kunstenaars. Ik ben erg geïnteresseerd in de relatie tussen proces en uitkomst en wil de afstand tussen die twee dichten. Veel van mijn vrienden zijn beeldend kunstenaar en nu ik er zo over nadenk, hebben zij vaak ook zo’n onderzoekende en archiverende benadering.”

De roman is opgebouwd als een archiefkast, waarin dozen met uiteenlopende archiefstukken zijn geplaatst. Alle gezinsleden hebben op reis één of meer dozen bij zich die vol zitten met verhalen, citaten, verwijzingen, geluiden, muziekstukken en beelden. Houdt de auteur van de roman ook archiefstukken achter voor de lezer?

“Dat kan ik natuurlijk niet vertellen. Op een zeker moment heb ik wel de zeven archief­dozen echt gemaakt en gevuld met de spullen van de personages. Ik durf er nu niet meer aan te komen, want het voelt alsof de spullen niet van mij zijn. De dozen staan in dezelfde kast waar ik de voorwerpen bewaar die vrienden zijn vergeten en nooit meer komen ophalen.”

Terwijl Luiselli praat, zuigt ze, verstopt achter haar hand aan een nicotine-apparaatje. Ik wijs ernaar en zeg: “Die USB-stick ziet er toch een stuk minder sexy uit dan de sigaret tussen uw lippen op de persfoto die de wereld overgaat.” Ze lacht: “Het is inderdaad alsof ik data naar binnen lurk. Ik moet stoppen met roken voor mijn dochter, maar ik krijg door dit apparaatje, altijd binnen handbereik, tien keer zoveel meer nicotine binnen als toen ik nog sigaretten rookte. Maar ja, ik ben vorig jaar gescheiden, dus dat is stressvol.”

Dat moet lastig zijn geweest; om te schrijven over een fictieve scheiding die in het verschiet ligt, terwijl u in het echte leven ook een scheiding doormaakte.

Luiselli’s gezicht verstart. “Ik weet het niet.” Ze staat op: “Ik moet nu gaan. Ik moet zo een trein halen.”

Fictie

Valeria Luiselli
Archief van verloren ­kinderen
Vertaald door Molly van Gelder en Nicolette Hoekmeijer, Das Mag/Karaat, €27,50 
437 blz.

Archief van verloren kinderen. Beeld Valeria Luiselli
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden