PlusRecensie boeken

‘Twee weken weg’ van R.C. Sheriff: meesterlijk nostalgisch strandstoelrealisme

Dirk Jan Arensman
R.C. Sheriffs roman Twee weken weg (1931), over de dagelijkse beslommeringen van een gezin op vakantie, is ‘spectaculair onspectaculair’.  Beeld Getty Images
R.C. Sheriffs roman Twee weken weg (1931), over de dagelijkse beslommeringen van een gezin op vakantie, is ‘spectaculair onspectaculair’.Beeld Getty Images

Het idee voor zijn roman A Fortnight in September (1931) was zó simpel dat hij zich er eigenlijk voor schaamde, bekent R.C. Sherriff (1896-1975) in een fragment uit zijn in 1968 gepubliceerde memoires, dat in de recente vertaling ervan als voorwoord dient. ‘Een klein gezin uit de periferie van Londen op hun jaarlijkse vakantie van twee weken in Bognor: man en vrouw, een volwassen dochter die voor een kleermaakster werkt, een zoon die net is begonnen op een kantoor in Londen, en een jongere jongen die nog op school zit.’

Een verslag van dag tot doodgewone dag moest het worden. ‘Hoe ze elke ochtend hun sjofele pension verlieten en naar zee gingen, hoe de vader hoop voor de toekomst putte uit de kortstondige verlossing van zijn eentonige werk, hoe de kinderen romantiek en avontuur vonden, hoe de moeder, die bang was voor de zee, de anderen probeerde te laten denken dat ze ervan genoot.’

Invoelend proza

Sherriff was op de eerste plaats een toneel- en scenarioschrijver, bekend geworden dankzij het (semi)autobiografische Journey’s End (1928), over soldatenervaringen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Twee weken weg schreef hij hoofdzakelijk voor zijn eigen plezier. En bijna veertig jaar later was hij nóg verbijsterd dat dat spectaculair onspectaculaire verhaal een door critici bejubelde bestseller werd.

Als hedendaagse lezer begrijp je het direct. Want al zijn de allemansbelevenissen van meneer en mevrouw Stevens, zoons Dick (17) en Ernie (10) en dochter Mary (20) inmiddels vooral ook kostuumdramamateriaal, je leest ze nog steeds ademloos.

Waarom?

Omdat Sherriff zijn personages in onopgesmukt maar ongekend invoelend proza neerzet, soms vertederend maar nooit neerbuigend. Je intens laat meeleven met die doodgoeie pater familias uit de lagere middenklasse, van manusje-van-alles opgeklommen tot kantoorklerk, die apetrots is wanneer iemand in een treinstation hem ‘meneer’ noemt.

Met Dick, die na veelbelovende schooljaren met eenzelfde net begonnen loopbaan geen genoegen wil nemen, en dat heimelijk pijnlijk vindt voor zijn vader. Of met Mary, die zich uit de warme gezinscocon losmaakt om onder meer haar allereerste vakantieliefde te beleven, helaas met een nogal gladjakkerige acteur.

Hun kleine zorgen (een verzenuwde treinoverstap, een theevisite bij chic geachte mensen) worden de ­jouwe, net als hun bescheiden zomerse geluksmomenten. Een meesterlijk staaltje nostalgisch strandstoelrealisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden