PlusInterview

Trompettist Ack van Rooyen wint Boy Edgar Prijs

Bugelspeler en trompettist Ack van Rooyen (1930) is de winnaar van de Boy Edgar Prijs 2020, de belangrijkste jazzprijs in Nederland. Vanwege de coronacrisis kreeg hij de prijs overhandigd tijdens een onlineceremonie. In december volgt nog een avond in het Bimhuis met een door Van Rooyen samen te stellen programma met gastmuzikanten.

Ack van Rooyen.Beeld Joke Schot

Proficiat. De prijs komt niet te vroeg, hè.

Ack van Rooyen: “Beter laat dan nooit. Een paar jaar terug ontving ik ook al de Blijvend Applaus Prijs. En begin dit jaar werd ik bij de viering van mijn negentigste verjaardag in het Bimhuis benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.”

Heeft u Boy Edgar, de naamgever van de prijs, gekend?

“Nee, helemaal niet. Ik heb met heel veel collega’s gespeeld, maar nooit met hem. Het zal komen doordat een groot deel van mijn carrière zich heeft afgespeeld buiten Nederland, in Duitsland ben ik tot ridder geslagen.”

U was in Nederland een van de eersten die bebop speelden. U leerde het genre kennen in Batavia. Hoe ging dat?

“Mijn broer Jerry en ik maakten deel uit van het orkest van Tom van der Stap, of zoals het voluit heette: Tom van der Stap en zijn Witte Raven. Voor de Nederlandse soldaten daar speelden we in 1946 muziek in de stijl van Glenn Miller. We traden soms vlak achter het front op en hadden geen idee van de gevaren die we liepen. Ik was zestien, zeventien jaar oud en vond alles een groot avontuur. In Nederland had ik de hongerwinter meegemaakt, in Indië zat ik onder de palmbomen. In Batavia leerden we mensen kennen die op het Amerikaanse consulaat werkten. Zij hadden V-discs, van die platen die werden gebruikt voor radio-uitzendingen voor Amerikaanse militairen, van Charlie Parker en Dizzy Gillespie. Jerry en ik wisten niet wat we hoorden. Het viel nog helemaal niet mee zulke muziek zelf te spelen. Anders dan de naam misschien deed vermoeden, ging het om technisch heel hoogwaardige muziek.”

U heeft een carrière van meer dan zeven decennia. Wanneer had u het gevoel: ik heb een eigen stijl en toon?

“Dat is onmogelijk te zeggen. Volgens het juryrapport van de Boy Edgar Prijs heb ik een lyrische stijl. Daar ben ik het mee eens. Maar ik zou niet weten wanneer ik precies die stijl te pakken had. Zoiets gaat heel geleidelijk. Je luistert naar anderen, probeert dingen uit en heel langzaam ontstaat er iets. Trompettisten naar wie ik goed heb geluisterd en door wie ik ben beïnvloed, zijn Clifford Brown, Fats Navarro, Blue Mitchell en Dizzy natuurlijk. Van de Nederlandse trompettisten heb ik Cees Smal altijd goed gevonden.”

Anders dan uw broer Jerry bent u nooit band- of orkestleider geweest.

“Die ambitie heb ik nooit gehad. Natuurlijk wilde ik soleren, maar de leider zijn hoefde ik niet. Daar komt heel veel bij kijken, hoor, dan wordt het voor een deel ook officewerk, dan moet je mensen gaan bellen en zo. Jongens als Jarmo Hoogendijk en Ben van Dungen zijn daar goed in, die vinden dat ook leuk.”

Volgens de jury van de Boy Edgar Prijs past de warme en zachte toon van de bugel of flügelhorn bij uw bescheiden karakter.

“Het is een instrument als de altviool bij de strijkers, die ook zo’n warme klank heeft. Misschien past daar een bepaald karakter bij, maar ik ben tamelijk toevallig flügelhorn gaan spelen. Mijn vader was secretaris van de fanfare. Om daar bij te komen, zoals Jerry en ik wilden, moest je wachten tot er een instrument vrijkwam, doordat er iemand overleed bijvoorbeeld. Midden in de oorlog kwam er voor mij een flügelhorn vrij. Later heb ik aan het conservatorium klassiek trompet gestudeerd, maar als jazzmuzikant speelde ik vooral flügelhorn. Weet je hoe het instrument aan zijn naam komt? In de Duitse marsmuziek ondersteunden de bespelers van de flügelhorn aan de buitenkant van een militaire muziekgroep de melodie, het waren letterlijk vleugelspelers.”

Volgt u de hedendaagse jazz?

“Gedeeltelijk. Er is onder de jongeren veel talent. Ik houd vooral van muzikanten die niet blind de nieuwste modes volgen, maar ook gevoel voor traditie hebben. Echt goede trompettisten in Nederland vind ik tegenwoordig Ruud Breuls en Ian Cleaver. Met Ian heb ik opgetreden. Hij is voor in de twintig, maar als we spelen doet het leeftijdsverschil tussen ons er niet toe.”

U bent negentig jaar oud en speelt nog altijd.

“De elfstedentocht rijd ik niet meer uit, maar één stad haal ik wel. Optreden kan nu even niet meer, maar ik doe het nog altijd graag. Thuis speel ik vrijwel elke dag. Als blazer moet je net als een sporter in conditie blijven; je embouchure bijhouden is een vorm van spiertraining. Daarbij ben ik ook nog lang niet uitgeleerd, dat houdt gewoon nooit op. De muziek is zó groot, in één leven kom je daar niet achter.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden