PlusSchrijvershotel

Tom Lanoye: ‘Ik heb ook al eens gezwaaid naar Sandro Veronesi en naar Donna Tartt, maar die zwaaiden niet terug’

Tom Lanoye in het Ambassade Hotel. Beeld Jasmine Gunther / Ambassade Hotel
Tom Lanoye in het Ambassade Hotel.Beeld Jasmine Gunther / Ambassade Hotel

Ik voel me al jaren zo thuis in het Ambassade Hotel dat ik soms de politie wil bellen om alle andere bezoekers eruit te laten zetten wegens huisvredebreuk. In het Vlaams heet dat nog mooier. ‘Woonstschennis.’

Vroeger zag je ook nooit Nederlandse auteurs in Ambassade Hotel. Vandaar misschien de naam. Je móést buitenlander zijn om binnen te mogen. Toen begon Arnon Grunberg te schrijven. En dus te reizen. Vroeger reisde men om te leren, sinds Grunberg reis je om te schrijven. Soms zie ik hem bij het ontbijt en dan zwaaien we eens naar elkaar. Dat is, toegegeven, het voordeel aan een hotel versus een echt pied-à-terre. In een echt pied-à-terre overkomt het je zelden dat je bij je ontbijt zit te zwaaien naar Arnon ­Grunberg. Ik heb ook al eens gezwaaid naar Sandro Veronesi en naar Donna Tartt, maar die zwaaiden niet terug. Dat krijg je met buitenlanders. Zij kijken weg van andere buitenlanders.

Bij een echt pied-à-terre hoort ook een familie. Bij Ambassade is dat een soort Afrikaanse extended ­family. Ik ken werkelijk geen ander hotel ter wereld – ja, ik beken: ik reis soms ook weleens naar andere ­steden – waar ik zo hartelijk word begroet, door mensen die mijn naam kennen en wier naam ook ik ken. Bij mijn eerste postcoronaverblijf was dat een van de hoogtepunten, zonder ironie. De slavernijtentoonstelling in het Rijks en het geleid bezoek aan de ­Hermitage waren natuurlijk top, maar ik genoot evenveel van het lekkere kletsen met Claudia en Wim en Eelco en Tamara e tutti quanti. Ons beklagend dat we elkaar twee jaar hadden moeten missen. En op onze vingers natellend hoeveel jaar het geleden moet zijn geweest dat ik en mijn vent hier voor het eerst sliepen.

Dat was naar aanleiding van een Boekenbal tijdens een Boekenweek waarbij de Vlaamse letteren in het brandpunt stonden. Erg lang geleden dus. Hugo Claus en Harry Mulisch leefden nog. Ze stonden naast elkaar op die mooie overloop in de Stadsschouwburg, als een koninklijk paar dat audiënties en kushandjes verleende aan het plebs. Wij, het plebs, gingen liever dansen en zuipen op het podium van de theaterzaal.

Die nacht vond mijn man een van zijn contact­lenzen niet terug in de badkamer van ons toekomstig pied-à-terre. Hij had ze nochtans net uitgedaan, allebei. In mijn herinnering kropen we een uur rond op onze knieën, zoekend en vloekend, tot we tenslotte maar gingen pitten.

We vonden de lens alsnog terug, vlak vóór het ontbijt. In een spleet tussen de wasbak en de muur. Je zult me niet horen zeggen dat mijn pied-à-terre ­perfect is. Voor een schrijvershotel hangen er wel erg veel schilderijen. Maar de bibliotheek is nog groter. En op die spleet na had ik in al die jaren weinig andere klachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden