PlusBoekrecensie

Tjitske Jansen laat in haar poëzie de lezer naar het ‘waarom’ gissen

Vaak eindigen de gedichten met een zinnetje dat de boel op scherp zet. Beeld Querido
Vaak eindigen de gedichten met een zinnetje dat de boel op scherp zet.Beeld Querido

De titel van dichtbundel Iedereen moet ergens zijn van Tjitske Jansen (1971) zou je kunnen afmaken met de woorden ‘in z’n jeugd’. Je moet je jeugd immers ergens doorbrengen – is het niet thuis bij je ouders in Barneveld, dan in wel in een pleeggezin in de buurt. In haar vierde dichtbundel dicht Jansen over ‘ergens’ opgroeien, de poëzie ontdekken, weggaan.

De bundel begint met een anek­dotisch gedicht waarin Jansen beschrijft hoe ze haar Wikipedia-pagina waarin melding wordt gedaan van een jeugd in pleeggezinnen probeert te vervangen door anekdotes die nu relevant voor haar zijn, zoals dat ze in het Willem Witsenhuis woont, waar onder meer Kloos en Nescio in het kakhuisje in de tuin hurkten.

Ze ontvangt de melding: ‘Volgens een automatisch systeem voegt u tekst toe/ die lijkt op kletsen.’

Op het eerste oog zijn haar gedichten weinig poëtisch. Het is dat er ‘dichtbundel’ op de omslag staat. De opgenomen columns voor AD en theaterteksten voor Het wilde oog (2004) integreren makkelijk in de bundel.

In haar beginjaren heb ik Jansen veel op zien treden. In mijn herinnering immer op een donker podium gevangen in een eenzame lichtbundel met niet meer dan een tekst omhanden, waarmee ze groot effect sorteerde.

Vaak eindigen de gedichten met een zinnetje dat de boel op scherp zet. Uitvoerig omschrijft ze het ‘hoe’, maar naar het ‘waarom’ mag de lezer gissen, net zoals een kind (vaak) overkomt.

De verteller in deze bundel herinnert zich een tobberig kind met rijke fantasie dat zich verbaast over de regels en wetmatigheden die haar worden gepresenteerd: ‘Ik herinner me een viering die erover ging/ dat God van iedereen evenveel hield./ Ik worstelde met dat idee./ Stel je voor dat iemand tegen je zegt/‘Ik hou van je zoals ik van iedereen hou’./ Dat wil je toch niet?’

Feit: ‘Tussen 1983 en 1988 heb ik behalve bij mijn moeder bij vier verschillende gezinnen gewoond’. Waarom het ‘niet veilig’ voor haar was, lezen we nergens. Wel treffen we ongemakkelijke zinnen als: ‘Op ons raam hing een affiche/ tegen verkrachtingen binnen het huwelijk./ Op een keukenkastje hing een poster/ van Tom Selleck’.

De sobere registratie van gebeurtenissen en de vragen die het kind erbij had, zijn vaak schrijnend. Eronder liggen pijn en eenzaamheid, maar die laat Jansen niet in haar woorden, maar bij de lezer imploderen.

Poëzie

Tjitske Jansen
Iedereen moet ergens zijn
Querido, €18,99, 109 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden