Plus Filmrecensie

The Dead Don’t Die: een lekker droogkomische Jim Jarmusch

Regisseur Jim Jarmusch voegt met The Dead Don’t Die een droogkomische zombiefilm toe aan zijn oeuvre. In Cannes werd de film doodverklaard, maar dat drukt de pret niet. 

Zombies zijn met velen: uiteindelijk duiken ze overal op. Nu regisseur Jim Jarmusch er een eigen draai aan geeft, strompelen ze via de rode loper van Cannes naar de arthouses. De ­levende lijken zijn salonfähig geworden, maar horrorfilms worden gemaakt om afgrijzen op te roepen. Een ­halve eeuw aan films, strips, games en series over zombies volstond om het eindpunt te bereiken. In 1968 was George Romero’s lowbudget zwart-witfilm Night of the Living Dead voor elke kijker een brug te ver. Dit jaar mocht Jarmusch met The Dead Don’t Die het festival van Cannes openen – avondkleding/galajurk aanbevolen. Zo is de lol er wel een beetje af.

Over z’n hoogtepunt

Een paar weken geleden gaf Robert Kirkman er de brui aan. De Amerikaanse stripauteur begon in 2003 met de op Romero’s oeuvre voortbordurende stripserie The Walking Dead. De maandelijkse comics werden jarenlang goed verkocht en tot de gelijknamige hitserie bewerkt, maar met het onlangs verschenen nummer 193 zette Kirkman een punt achter zijn postapocalyptische stripverhaal. De tv-serie is ook al een tijd over het hoogtepunt heen. Dat was al het geval toen Jarmusch bedacht dat hij ook maar eens met het thema aan de slag moest gaan. Op zijn ­manier.

De onafhankelijke Amerikaanse filmmaker heeft vaker met dit bijltje gehakt. Je zou kunnen zeggen dat de 66-­jarige godfather van het Amerikaanse independent ­circuit daarmee richting gaf aan de generaties die in zijn voetsporen traden. Jarmusch maakte films over gangsters, huurmoordenaars, een samoerai, ontsnapte bajesklanten, cowboys en indianen, vampiers en nu zombies. Al die genrefilms zijn bovenal Jarmuschfilms, uit duizenden herkenbaar door hun stijl, hun toonzetting en de gortdroge humor. Dát is zijn manier.

Als gangmaker voor tegendraadse Amerikaanse auteurs als Steven Soderbergh en Wes Anderson demonstreerde Jarmusch dat filmmakers elk genre naar hun ­hand kunnen zetten. Om bij het horrorgenre te blijven: zes jaar geleden leverde Jarmusch met de vampierfilm Only Lovers Left Alive een van de beste films uit zijn oeuvre af. Hij was niet de eerste filmauteur die met de ­bloedzuigers aan de haal ging: Friedrich Wilhelm Murnau, Roman Polanski, Werner Herzog, Abel Ferrara, Francis Ford Coppola en Neil Jordan deden het met een vergelijkbaar succes.

Openingsgala

Daarom was het ook niet vreemd dat Jarmusch’ komische zombiefilm een wereldpremière op het openingsgala van Cannes kreeg. Het relativeerde het elitaire karakter van het festival, maar er waren genoeg filmhistorische precedenten om de eervolle vertoning te rechtvaardigen. Dat er veel over The Dead Don’t Die werd gemopperd, was geen verrassing, maar het geklaag is buiten de festivalcontext begrijpelijk. Het is geen hoogtepunt in het ­oeuvre van ­Jarmusch, maar er kan gelachen worden: de maker en zijn met routiniers gevulde ensemble halen het onderste uit de kan met hun droogkomische ­timing.

De film speelt zich af in het fictieve Centerville USA, waar sheriff Bill Murray, deputy Adam Driver en officier Chloë Sevigny het politiekorps vormen dat de dorpelingen moet beschermen tegen zombies. Beroepsdroogkloot Murray en de onderkoelde Driver doen geen enkele ­poging als agenten te overtuigen. Integendeel: de ­centrale grap in The Dead Don’t Die ligt besloten in het idee dat de acteurs door regisseur Jim Jarmusch zijn gevraagd om in een zombiefilm te spelen. Murray en Driver benoemen dat ­aspect letterlijk; bij twee actrices wordt het met de namen van hun personages benadrukt: Rosie ­Perez heet in de film Posie Juarez en Tilda Swinton speelt begrafenisondernemer Zelda Winston. Ha!

Iggy Pop.

Hun laconieke strijd tegen de lijken is op die manier een klein uurtje komisch genoeg, maar wanneer de grap is ­uitgewerkt en Jarmusch en de acteurs in herhaling vervallen, gaan de gedachten naar alle zombiekomedies die wél van begin tot eind deden schuddebuiken. Dat zijn er te veel om op te noemen. Misschien is dat Jarmusch’ grootste probleem: hij vertelt een grap die allang dood en ­begraven was. En steeds weer terugkeerde.

Bill Murray, Chloë Sevigny en Adam Driver.

Lachen met lijken

Zombiefilms behoren tot het horrorgenre, maar er zijn er zoveel dat ze ook subgenres hebben. The Dead Don’t Die van Jim Jarmusch is een zombiekomedie. Binnen dat subgenre wordt Dan O’Bannons Return of the Living Dead (1985) als het hoogtepunt beschouwd. De hilarische film poneert de stelling dat George Romero’s oerknal Night of the Living Dead (1968) geen fictie was: een paar van de zombies liggen ingeblikt in een loods voor medische preparaten, maar niet voor lang.

In navolging van O’Bannon laat Jarmusch zijn zombies ook spreken. ­Andere hoogtepunten in het subgenre zijn Peter Jacksons kliederige ‘splatstickfilm’ Braindead (1992) en Edgar Wrights Shaun of the Dead (2004), een romantische zombiekomedie die door de makers daarom een ‘romzomcom’ werd genoemd. Ook dat werd een subgenre. Een subsubsubgenre, om precies te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden