Plus Interview

Tentoonstelling Jeroen Krabbé: ‘Ik heb mezelf verrast’

Vanaf zaterdag toont museum De Fundatie in Zwolle twaalf landschappen van schilder-acteur Jeroen Krabbé. Hij deed inspiratie op tijdens zijn tv-reis langs het leven van Paul Gauguin. ‘Dit zijn oefeningen in hoe ver ik durf te gaan. Ik heb mezelf verrast.’

Jeroen Krabbe met zijn schilderijen in zijn atelier op de Eerste Helmersstraat, Amsterdam, 2019foto: rogier van t slot Beeld rogier van t slot

‘Netjes? Vind je het hier netjes? Hmm…” Jeroen Krabbé (74) kijkt de verslaggever arg­wanend aan. Afgezien van een tegen de radiator onder het hoge raam opklimmende berg doekjes waarmee hij zijn penselen en kwasten afveegt, ziet het atelier van Jeroen Krabbé in Amsterdam-West er keurig uit.

“Je dacht zeker: het is vast een viespeuk, die ­Krabbé.”

Het is één dag voor de twaalf schilderijen die hier staan op reis gaan naar Zwolle, waar ze in de Fundatie de tentoonstelling Gedroomde paradijzen vormen.

“Weet je wat het is? Ik kan niet tegen chaos als ik werk.”

Hij deed inspiratie op voor de doeken tijdens het draaien van zijn televisieserie Krabbé zoekt Gauguin op Tahiti, Hiva Oa in Frans-Polynesië en op Martinique. Daar trad hij in de voetsporen van de Franse schilder en trachtte hij de mens achter de schilderijen te vinden.

“Maar ik werk niet netjes, hoor. Moet je me zien als ik achter de ezel sta…”

Dan?

“Dan vliegen hier de klodders in het rond.”

Overal verspreid in het atelier liggen boeken van Chagall. Want Marc Chagall (1887-1985) is het volgende ‘slachtoffer’ van de televisiemaker Jeroen Krabbé, die eerder al op enthousiasmerende wijze de levens van Vincent van Gogh, ­Pablo Picasso en Paul Gauguin onderzocht om zo hun essentie te vinden – en de uitkomsten van die speurtocht op televisie bracht.

Angst overwonnen

“Mooie hoge ramen, hè? Dit was het atelier van Breitner. Oorspronkelijk… Wacht even, dan pak ik het schriftje van mijn moeder erbij, die heeft de geschiedenis van dit atelier opgeschreven. Kijk, hier. Dit atelier is gebouwd voor de nu vergeten schilder Johan Conrad Greive, in 1873. Breitner heeft hier twee keer gezeten, in 1914 en 1915 en in 1922. Ik zit hier vanaf 1992. Helemaal hysterisch was ik, toen ik hier kon gaan werken.”

Heilige grond dus.

“Absoluut. En het mooie is: toen mijn vader hier voor het eerst kwam, hij was ook schilder, toen zei hij dat zijn vader, die ook schilder was, hier geweest moet zijn, omdat hij bevriend was met Breitner. Dat maakt het weer rond, dat vind ik ontzettend leuk.”

Toen Jeroen Krabbé hier echter voor het eerst wilde gaan schilderen, was hij totaal verlamd.

“Hij staat daar op de schouw, tussen afbeeldingen van Picasso en Matisse, twee andere helden. Ontzettend mooi werk maakte hij. Hoe kon ik tegen Breitner in gaan schilderen?”

Nu zit hij op een stoel en kijkt naar de doeken, die doen denken aan Gauguin. Grote doeken.

“Hoe ik de angst voor Breitner heb overwonnen? Door kleine schilderijen te maken. Ik durfde nog helemaal niet groot. Ik weet nog de eerste keer dat ik een groot doek kocht en een grote kwast pakte. Dat was een daad, hoor. Maar toen was ik er ook doorheen.”

Op een fraai, kleurrijk schilderij is een vulkaan te zien. Een vulkaan op het eiland Hiva Oa, waar Paul Gauguin is begraven.

Krabbé tikt op het doek. “Hier heb ik zijn ­begraafplaats gesitueerd. Het ging me om het uitzicht vanuit zijn graf. Wat kijk je nou? Ja hoor, dat mag: een schilder mag gewoon aan zijn schilderijen komen. Jij mag er ook aankomen hoor, alleen niet in het museum.”

Tijdmachine

Samenzweerderig vertelt hij dat hij ooit in het restauratieatelier van het Van Gogh Museum een schilderij van Van Gogh zag liggen. Hij zou toch niet…

“Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb een doek van Vincent van Gogh aangeraakt. Je zit dan in een tijdmachine, je maakt verbinding met een andere eeuw. Dat is een sensatie, een regelrechte sensatie. Ik hou niet van die heiligheid die om schilderijen hangt. Een van de redenen dat ik die televisieseries ben gaan doen, is dat ik daar vanaf wilde. Ik wilde het hebben over de persoon. Wat ging er in hem om? Met wie had hij ruzie? Met wie ging hij vreemd? Waarom? En waarom schilderde hij wat hij schilderde?”

Wrijft zacht over Gauguins graf.

Moet je eigenlijk niet doen, zegt hij, aan een schilderij komen. Er is altijd kans op beschadigingen. “Maar ja, ik houd zo ontzettend van de huid van een schilderij.”

Hij schilderde dus wel naar Gauguin, maar niet naar Van Gogh en Picasso.

“Picasso. Ik kijk daar met grote bewondering naar. Hij is de meester der meesters. Matisse, die ik erg bewonder… nee, ik ben bang dat zijn leven te burgerlijk was voor een serie. Matisse zet de deur open, Gauguin zet de deur open. De kleur gaat het vanaf nu doen, zegt Gauguin. En Matisse laat de vereenvoudiging zien. Maar ­Picasso opent honderd deuren die hij allemaal in je gezicht weer dichtsmijt. Ik kan daar geen fuck mee.”

Maar hij gebruikte wel Van Gogh in een van zijn schilderijen.

“Een abstract doek. Toen ik in de serie vertelde over de kleurenleer van Le Blanc. Van Gogh was daar erg mee bezig, hij ontdekt toen wat complementaire kleuren doen als je die tegen elkaar aan zet. Ik heb toen een knalrood schilderij ­gemaakt, waarop ik allemaal groene stipjes heb gezet. Om te kijken wat dat deed.”

Jeroen Krabbé is tevreden over de twaalf ­‘Gauguins’ die hij heeft gemaakt.

“Die fabelachtige kleuren van Gauguin, zo ongekend mooi. Ik dacht: laat ik eens kijken wat ik met die kleuren kan. Paars. Ik gebruikte nooit paars. Vond ik spannend. Dit zijn oefeningen in hoe ver ik durf te gaan. Ja, ik heb mezelf verrast. Roze, zoals op de afbeelding voor de tentoonstelling. Gebuikte ik ook nooit. Kun je zien wat voor vreugde het schilderen me heeft gegeven?”

Kinderen

Wat zegt deze waaghalzerij over de schilder ­Jeroen Krabbé?

“Wat is dat nu weer voor vraag? Nou, ik heb het gevoel dat ik een andere fase ben ingegaan. Ik heb dingen gedaan en gedurfd die ik voorheen niet durfde. Ik dacht ook: het kan me geen moer schelen wat iemand hiervan zal vinden. Ik wil dit nu op deze manier schilderen.”

Hij kijkt nog een keer naar zijn schilderijen.

“Morgen gaan al mijn kinderen naar Zwolle.”

Ah, het legenestsyndroom?

“Ja, ik vind het moeilijk ze los te laten. Vervelend. Je leeft met ze.”

Echt?

“Ja. Natuurlijk! Natuurlijk zijn het mijn kinderen. Zo zie ik dat. Echt.”

Jeroen Krabbé – ‘Gedroomde paradijzen’. 14 september t/m 5 januari 2020, Museum de Fundatie, Zwolle.

Inspiratiebronnen

Voor Gedroomde paradijzen liet ­Jeroen Krabbé zich inspireren door Paul Gaguin. Maar door wie is Jeroen Krabbé nog meer geïnspireerd?

“Matisse. Maar ook Picasso en Van Gogh. Ik ga mijn helden doen, dacht ik toen me gevraagd werd wie ik voor mijn televisieprogramma Krabbé zoekt wilde volgen. Ik ben opgevoed met de mensen die ik nu noem. Mijn vader heeft al mijn kindertekeningen bewaard en erop geschreven welke dag het was en wat ik erover heb gezegd. Hier, in 1948, was ik 4 jaar. Hierover heb ik gezegd: ‘Dit is Leonardo da Vinci. Hij zit aan zijn spinnewiel vast en kan niet meer naar zijn schilderij toe.’ Andere kinderen wisten dingen van voetbalhelden, ik wist ze over schilders.

Dat heb ik nooit bijzonder gevonden, omdat het voor mij vanzelfsprekend was. Hier, eentje van 31 oktober ’48, die heet: Ik denk dat het de poes van Picasso is. Curieus, toch? Ik put nog uit mijn opvoeding.”

Hij noemt als inspiratiebron ook Marc Chagall, over wie hij nu een serie aan het maken is. “Hier, met deze tekening begin ik de serie. Dit heb ik gemaakt toen ik 11 jaar oud was. Toen was er een grote Chagall-tentoonstelling in het Stedelijk ­Museum. Ben ik met mijn vader naar toegegaan. Thuis heb ik dit gemaakt. Dit is de Chagallvis, met allemaal elementen van Chagall erin.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden