Interview

Suzanne Voets debuteert met ode aan Nicolaas Beets: ‘Ik vind het zonde dat de taal nu veel minder veelzijdig is dan toen’

Van profielwerkstuk tot literair debuut: de 20-jarige Suzanne Voets liet zich voor De Toverlantaarn inspireren door de Camera Obscura van Nicolaas Beets.

null Beeld

Ze is tweedejaars student Nederlandse Taal & Cultuur aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en nu al debuteert Suzanne Voets (Nuenen, 2001) bij een literaire uitgeverij met De Toverlantaarn, geïnspireerd op de Camera Obscura van Nicolaas Beets (1814 – 1903, pseudoniem Hildebrand). Het is een bundel verhalen met observaties uit het dagelijks leven, in de 19de-eeuwse stijl die ze zich steeds meer eigen heeft gemaakt. Een stijl waarin, zo schrijft ze in haar ‘voorrede’, de rijkheid van de Nederlandse taal veel meer tot uitdrukking en tot haar recht kwam.

Haar ‘vertellingen’ zijn een mildironische ontmoeting tussen de 19de en de 21ste eeuw. Zo zijn er de observaties van een hotelganger die zich kan voorstellen dat er mensen zijn met een ganselijke hekel aan kamperen, is er een ode aan het geluk des jaargetijdes van de herfst waarin wel al Halloween naar Nederland is overgewaaid en wordt in een sportschool geroddeld door een dame met een zeer bont oranje-paars-geel hemd, ook wel ‘de papegaai.’

Portret van Nicolaas Beets door Thérèse Schwartze. Beeld Centraal Museum Utrecht/Ernst Moritz
Portret van Nicolaas Beets door Thérèse Schwartze.Beeld Centraal Museum Utrecht/Ernst Moritz

Een boek was aanvankelijk niet Voets’ doel; ze maakte de verhalen voor haar profielwerkstuk, dat werd bekroond met de Profielwerkstukprijs Nederlands 2020. Van de oorspronkelijke inhoud van heeft ze de helft geschrapt omdat ze stilistisch niet meer tevreden was, ook de inhoud werd danig omgegooid. “Mijn doel was de 19de-eeuwse taal zo goed beheersen dat ik die zelf kon inzetten. Ik heb nu de balans veel meer gevonden, het archaïsche is onderdeel van mijn eigen schrijfstijl geworden.”

Hoe kwam het dat je die 19de-eeuwse stem wilde vinden?

“De Camera Obscura was het eerste 19de-eeuwse Nederlandse boek dat ik las en ik werd zó gegrepen; niet alleen door wat Beets schrijft maar ook door de constructies, de woorden die we niet meer gebruiken, de naamvallen. Er zat een bepaalde schoonheid in die me inspireerde tot een eigen verhaal. Ik vind het zonde dat de taal nu veel minder veelzijdig is. Je kunt je minder genuanceerd uitdrukken en slaagt er minder in om de lezer te laten voelen wat je zelf gevoeld hebt, om die te laten aanschouwen wat je zelf aanschouwd hebt.”

Het was, schrijf je, alsof een vervlogen tijd, die in je verborgen zat, naar boven werd gehaald.

“Ik was al gefascineerd door de Nederlandse cultuur van vroeger en bij het lezen van Beets was het alsof ik rechtstreeks in contact stond met die tijd. Het gaat in de Camera Obscura niet zozeer om grote maatschappelijke thema’s maar om taferelen uit het dagelijks leven. Het was of hij een nostalgisch gevoel in me aanboorde en ik wilde daar wat mee doen.”

Je knipoogt naar het heden. In een verhaal over de kerstviering bij de familie Harbrinck spreekt ineens een tante ‘op een Philip Freriksachtige toon’. Kon je je daarin uitleven?

“Voor de wisselwerking heb ik het heden wel opgezocht, maar ik heb geprobeerd dat niet te veel te laten overheersen. De meeste verhalen zweven tussen de tijden in. Het loslaten van deze tijd zit minder in de stijl die ik heb gekozen dan in de kleine onderwerpen, in plaats van het ‘waar gaat het heen met de wereld’ van nu. De aandacht voor het kleine geeft rust, in het besef dat er niet allemaal enerverende ontwikkelingen komen.”

Jij, in de hoedanigheid van ‘uw schrijfster’ spreekt de lezer aan, of het gaat om tuinieren, klagers of ‘het concept van toeval en niet-toeval wanneer men spreekt over de liefde’. ‘Ik geloof hierin, lezer!’ Onze schrijfster is twintig, hoe komt ze zo wijs(neuzig)?

“Ik heb geprobeerd Beets te volgen in hoe hij zich opstelt tot de lezer. Hij observeert. Daarvoor moet je je enerzijds in de situatie verplaatsen om die te benaderen, maar tegelijkertijd niet te veel onderdeel worden van de handelingen. Je neemt de lezer als het ware mee aan de hand; daarmee hangt die wat verheven opstelling samen, dat daardoor ook weer onderdeel is van de ironische verteltoon. Je schrijft over iets dat op zichzelf niet zo interessant is – hoe maak je daarvan een schilderij? Hoe kun je een tafereel laten verstillen en dat verkennen en de lezer daarin meenemen? Daarvoor word je als verteller op jezelf teruggeworpen, en genoodzaakt de taal op een creatieve manier in te zetten. Dat vond ik zelf heel plezierig om te doen. Beets kon dat heel realistisch én humoristisch, de Camera Obscura is ook heel vermakelijk. Mijn boek is een ode. Ik hoop vooral dat mensen ook weer Beets gaan lezen.”

Suzanne Voets: De Toverlantaarn. De Arbeiderspers, Geïllustreerd door Jan Cleijne, €22,50, 264 blz.

‘Verhaaltjes uit het leven van alledag’

Schrijver Marita Mathijsen verdiepte zich in de lezer van de 19de eeuw en ook in deze net verschenen studie komt Nicolaas Beets aan de orde. Mathijsen schetst hoe hij als student theologie in Leiden het literaire podium betrad met vertalingen van poëzie van Lord Byron en doorging met historische dichtverhalen. In blauwgedrukte passages geeft Mathijsen de lezer – ‘L’ – een stem in deze onorthodoxe literatuurgeschiedenis. Over de Camera Obscura: ‘Gewoon verhaaltjes uit het leven van alledag. Wat ik zo goed vind in de Camera is dat hij onszelf zo te kijk zet (…) Hielenlikkers, couponnetjesknippers, dames die aan cultuur doen en poenige nouveau riche, Beets laat al die typen zien en ik herkende ze zo.’

Marita Mathijsen, De lezer van de 19de eeuw, Balans, €29,95, 464 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden