PlusInterview

Sterre Konijn is naturel, jazzy en kwetsbaar: ‘Operazangeres heb ik nooit willen worden’

Sterre Konijn: ‘Operazangeres heb ik nooit willen worden.’ Beeld Merlijn Doomernik
Sterre Konijn: ‘Operazangeres heb ik nooit willen worden.’Beeld Merlijn Doomernik

Sterre Konijn wilde klassiek zingen zoals Renée Fleming en Maria Callas en jazz als Ella Fitzgerald, maar ‘later daagde het dat je ook alles als jezelf kunt zingen’. Nu is er een, haar wondermooie debuut.

Dit zou wel eens een nogal larmoyant stuk kunnen worden. Het punt is namelijk dat ik moet gaan uitleggen waarom ik totaal gevloerd ben door het debuutalbum van zangeres Sterre Konijn, simpelweg getiteld een. Zo simpel is die titel trouwens niet, want de betekenis is drievoudig. Het is niet alleen haar eerste soloplaat, het woord wil ook zeggen: ‘samen’, maar ook ‘alleen’, in je eentje. Eenzaamheid en verbondenheid, dat is het thema van een.

Door er vaker naar te luisteren, werd een steeds mooier, wat niet zo gek is, want Konijn bracht diepe, rijke teksten bijeen, bijvoorbeeld van Anna Achmatova, Ingrid Jonker en Dante Alighieri, koos voor bijzondere componisten (Thanasis Deligiannis, Manuel de Falla, Louis Andriessen, John Tavener, Kate Moore) en schreef zelf ook nog een paar schitterende stukken. Laat ik er maar meteen een noemen. Ek herhaal jou, op een tekst van Jonker, waarin ze niet alleen de solostem zingt, maar ook nog als omhullend achtergrondkoortje te horen is. Tegen het slot krijgt ze gezelschap van een orgel. Och, wat mooi.

Ik moet er nog een noemen. L’amor che move, ook een stuk van haarzelf, op een tekst van ­Dante. Het begint fluisterend, daarna vouwt de muziek zich open, met de cello van Sanne van der Horst, de viool van Merel Vercammen, het orgel van Christiaan Verbeek, en Konijn als een koor van stemmen.

Dan zijn er nog de stukken waarin Raphaela Danksagmüller weent op de doedoek, het meest melancholische aller instrumenten. Of wat te denken van het allereerste en het allerlaatste stuk, die ze beide a capella zingt, met een stem, die overduidelijk technisch goed is gefundeerd, maar toch volkomen naturel klinkt. Echt. En daardoor kwetsbaar. Of misschien woelt ze door die stem wel de kwetsbaarheid bij de luisteraar los. Ze heeft ook nog eens een heerlijk timbre. Soms een beetje hees. Jazzy. Ze is in elk geval niet bang voor rafeltjes. Niet de klank van een puur klassieke zangeres.

Geen smaak

Ik stamel diep gevoelde complimenten als Sterre Konijn tegenover me zit, die ze bescheiden ­lachend in ontvangst neemt. Ik vraag haar waar deze wonder-cd vandaan komt en realiseer me dat ik weleens betere vragen heb ­gesteld. Ze antwoordt dat het misschien een chanson-cd moest worden, later dacht ze aan een elektronische plaat. “Het heeft lang geduurd voordat ik wist wat het moest zijn, ook omdat ik druk was met theaterprojecten en geen tijd had om er de rust voor te nemen. In die zin kwam die coronacrisis me niet slecht uit.”

Konijn studeerde aan het conservatorium in ­Amsterdam en daarnaast Italiaanse taal en ­letterkunde (“Supermooie taal.”) Ze schreef haar afstudeerscriptie, over de relatie tussen Dante, Petrarca, Michaelangelo en Rafael, in het Italiaans. “Dat zou ik nu niet meer kunnen.”

Daarna ging ze naar Kopenhagen, naar het Complete Vocal Institute, na een tip van Nora Fischer. “Wat ik daar heel leuk vond, was dat ze zeiden: we bemoeien ons niet met jullie artistieke ideeën, want stel dat Louis Armstrong of Björk op zangles waren gegaan en die hadden te horen gekregen dat ze normaal moesten zingen, dan waren ze nooit zo beroemd geworden. Hun kernregel was: we hebben geen smaak, maar we willen wel dat jullie je stem gezond gebruiken. Daar is een hele methode uit voortgekomen.”

Ze ging aansluitend een masteropleiding doen aan de Veenfabriek van Paul Koek. “Ik zocht iets creatiefs in het muziektheater, maar operazangeres heb ik nooit willen worden. Zo rolde ik er een beetje in. Door dingen te maken kom je erachter wat je zelf mooi vindt.”

Alle opgedane inzichten leidden tot haar eerste solo-album een, ‘waarin veel samenkwam’.

Een-op-eenconcertjes

Ik stel hardop de vraag waarom de muziek me zo raakt. “Je wordt geraakt als je je ervoor open kunt stellen,” zegt ze. “Bij mij wordt het steeds rauwer wat me raakt. Als meisje hield ik van ­Sarah Brightman, later van Ella Fitz­gerald en nu meer van Billie Holiday en Nina ­Simone. Ik zong vroeger ook netter en minder op emotie. Het kan me nu minder schelen. Vroeger wilde ik klassiek zingen zoals Fleming en Callas, jazz als Ella, maar later daagde het dat je ook alles als jezelf kunt zingen.”

En nu? “We gaan een-op-eenconcertjes doen. Geïnspireerd op The Artist Is Present van Marina Abramovic. In A Lab, in Amsterdam-Noord. Verbinding zoeken met het publiek. Ik heb het op vijf mensen uitgeprobeerd en het is nogal intens. We doen het op vijf zondagen, twintig keer per dag, steeds vijf minuten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden