PlusAchtergrond

Slavernij in Amsterdam: Juliana werd voor 525 gulden gekocht

Amsterdam was bijna drie eeuwen betrokken bij de slavernij. Het Stadsarchief vertelt persoonlijke verhalen van Amsterdammers die leefden van de slavenhandel of er juist het slachtoffer van waren.

Plantage wederzorg 16 maart 1915.Beeld Stadsarchief Amsterdam

De Braziliaanse Juliana was tien, elf jaar oud toen ze halverwege de 17de eeuw door suikerhandelaar Eliau de Burgos werd gekocht. Hij had een bedrag voor haar neergeteld zodat ze zijn bediende zou worden. Van het persoonlijke leven van Juliana zou doorgaans weinig bekend zijn geworden. Maar historicus Mark Ponte vond haar naam terug in het Amsterdamse Stadsarchief, waar hij werkt.

De Burgos bleek met Juliana naar Amsterdam te zijn afgereisd en had plannen om op korte termijn te verhuizen naar het Caraïbische eiland Barbados. In Amsterdam hoorde Juliana dat slavernij in Nederland formeel verboden was. Ze besloot het erop te wagen en vluchtte.

Ponte pakt een notariële verklaring erbij uit 1656, opgetekend door de Amsterdamse notaris Adriaen Lock. ‘Door het oprockenen van andere die haer wijs gemaeckt hebben dat sij alhijer vij & ongehouden was hem (…) te dienen’ staat in de akte. Uit deze verklaring blijkt dat Juliana was ‘wijs gemaeckt’ dat zij vrij was en door mensen was opgestookt hem te verlaten.

“De Burgos liet het er niet bij zitten en wilde vermoedelijk stappen ondernemen,” zegt Ponte. In zijn verklaring staat dat hij Juliana voor 525 gulden had gekocht en dat zij hem had beloofd trouw te blijven. “Hij wilde haar terug, maar hij had geen poot om op te staan.”

Juliana is een van de dertien personen in de expositie ‘Amsterdammers en slavernij’ die op enigerlei wijze betrokken waren bij de slavenhandel en slavernij. De persoonlijke verhalen van de veelal onbekende Amsterdammers uit de 17de, 18de en 19de eeuw zijn opgetekend aan de hand van notariële archieven, bevolkings-, doop- en trouwregisters, ooggetuigenverklaringen, manuscripten, familiearchieven en tekeningen.

Hoe het leven van Juliana er na haar ont­snapping uit heeft gezien, is niet bekend. Mogelijk vond ze onderdak bij de kleine zwarte gemeenschap in Amsterdam, die in de buurt van de Jodenbreestraat woonde.

Een ander kind uit de stad dat betrokken was bij de slavernij was de 14-jarige Nicolaas Bergen, die met zijn ouders aan het Singel woonde. Hij was door zijn ouders aangemeld als matroos op het slavenschip d’Adrichem dat in 1709 op weg ging naar Suriname.

Ook over Nicolaas zou weinig bekend zijn geworden. Duizenden jongens scheepten jaarlijks in bij de VOC en WIC als matroos. Nicolaas overleefde, net als velen, de reis niet. Waaraan hij is overleden, is ook niet bekend.

De naam van de Amsterdamse jongen stond in een akte van notaris Stephanus Pelgrom uit 1712. Zijn ouders meldden daarin dat ze geld tegoed hadden van de WIC. Een matroos verdiende zo’n tien gulden per maand.

Contractarbeiders

Ook slavenhandelaren en eigenaren van plantages komen in de expositie aan bod. Zo was Herman Albrecht Insinger (1757-1805) als koopman-bankier gespecialiseerd in de West-Indische handel en leningen aan plantages. In de loop der jaren kreeg zijn familie veel plantages in handen en had in Suriname zo’n 1200 slaven in bezit. Toen de slavernij in 1863 in Suriname officieel werd afgeschaft, kreeg het familiebedrijf ruim 350.000 gulden compensatie van de Nederlandse staat. “De tot slaaf gemaakten moesten echter nog tien jaar doorwerken,” zegt De Ponte.

Daarna kwamen de contractarbeiders uit India en Indonesië. Zij woonden in huisjes op de plantage waar vermoedelijk ook de tot slaaf gemaakten eerder verbleven. In het archief van de Bank Insinger en Co zaten foto’s van contract­arbeiders en hun huisjes.

De familie Insinger bleef tot 1970 de koffieplantage Wederzorg aan de Commewijnerivier in Suriname beheren. In de Jordaan kocht de fami­lie een chocoladefabriek. Ponte laat een kleurrijke flyer uit de jaren vijftig zien van chocoladefabriek Betke aan de Haarlemmer Houttuinen. De chocola, in de smaken volle melk, bitter, hazelnoot, sinaasappel en koffie verkrijgbaar, werd aangeprezen: ‘Gefabriceerd uit de edele Suriname-cacaobonen van eigen plantages’.

Van Susanna Dumion (1713-1818) is een afbeelding op de expositie te zien. De tot slaaf gemaakte Dumion werkte bij de rijke weduwe en plantage-eigenaar Susanna L’Epinasse. Deze weduwe vertrok na de dood van haar man naar Amsterdam en nam Susanna mee naar haar huis op de Keizersgracht.

Vier gulden in de week

L’Epinasse had in haar testament laten op­nemen dat bij haar dood haar ‘slavin of dienstmaagd’ haar vrijheid zou krijgen plus vier gulden in de week. Toen de weduwe in 1778 stierf, bleef Dumion nog vele jaren bij de familie L’Epinasse wonen.

Op 100-jarige leeftijd werd zij getekend door Jacob Ernst Marcus, die met de kleindochter van Susanna L’Epinasse was getrouwd. Het originele portret hangt in het Teylers Museum in Haarlem, waar Dumion de laatste jaren van haar leven woonde.

Dumion stierf in 1818, op 105-jarige leeftijd. In haar testament liet ze in 1784 opnemen dat zij haar bezittingen naliet aan de zoon van de plantage-eigenaar.

De expositie ‘Amsterdammers en slavernij’ in het Stadsarchief is vanaf 30 juni tot en met 11 oktober te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden