PlusInterview

Shula Tas: ‘Soms moet je dingen opruimen om te kunnen ademen’

Een jonge vrouw studeert af op zang aan het conservatorium, zonder daarna nog een noot te zingen. Shula Tas onderzoekt het waarom in haar debuutroman Waar gezongen wordt, autofictie over muziek, verlies, rouw, Jodendom – en schaamte.

Marjolijn De Cocq
Shula Tas:  'Ik heb geprobeerd een verband te leggen tussen het hebben van zo’n oude vader en het zijn van een migrantenkind.' Beeld Keke Keukelaar
Shula Tas: 'Ik heb geprobeerd een verband te leggen tussen het hebben van zo’n oude vader en het zijn van een migrantenkind.'Beeld Keke Keukelaar

Een zin als een mokerslag, al op de tweede bladzijde. ‘Mijn ouders zijn al een tijdje morsdood’. Zoals het Shula Tas overkwam: in het tweede jaar van haar opleiding zang aan het conservatorium overleed haar vader; anderhalf jaar later, vlak voor haar eindexamen, haar moeder.

Tas (34) studeerde vervolgens taal- en cultuurstudies. Ze werkt als programmamaker en presentator en is moeder van twee zoontjes, van 2 jaar en 5 maanden. Haar ouders waren, feit, al een tijdje morsdood toen zich een existentiële zoektocht opdrong. Wat doet het met je identiteit als de interactie met je ouders is stilgevallen? Als je zélf bent stilgevallen?

“Dat die zin binnenkomt als een mokerslag, vind ik mooi om te horen. Die zin is ook met een mokerslag geschreven. Je wil zoiets niet opschrijven. Je wil niet dat het waar is. Maar dit is het verhaal van een vrouw die hierdoor geblokkeerd is geraakt en die die blokkade alleen maar kan opheffen door de confrontatie aan te gaan.”

“De Shula in het boek heeft overigens de deur naar het zingen dichter gedaan dan de Shula die hier nu aan tafel zit. Het was voor mij niet zozeer een bewuste keuze niet meer te zingen, maar ik rolde in van alles en het had niet meer die prioriteit. Mijn roman is autofictie. Er komen elementen in voor uit mijn leven, maar ik heb er zorgvuldig een verhaal van gecomponeerd.”

U gebruikt in het boek dozen die op zolder staan, een zolder die moet worden leeggeruimd omdat de hoofdpersoon Shula gaat samenwonen. Die dozen moeten open.

“Ze zijn een metafoor, het gaat natuurlijk om iets dat groter is dan spullen. Maar het is bagage die je het licht ontneemt. Soms moet je dingen opruimen om te kunnen ademen. Ik begon met het idee een muziekvoorstelling te maken over rouw. Maar bij het schrijven kwam ik erachter dat je, om daar een universeel verhaal van te maken, naar dat persoonlijke toe moet. En dat wilde ik niet. Ik wilde niet persoonlijk worden. Die weerstand in mijzelf ben ik gaan onderzoeken en is juist een drijfveer geworden.”

Uw vader was de beroemde Amsterdamse psychotherapeut Louis Tas, die zelf Bergen-Belsen overleefde en veel Holocaustoverlevenden in behandeling heeft gehad. Hij was gespecialiseerd in schaamte – een emotie die ook in uw boek overheersend is.

“Ik hoop wel dat mijn boek op zichzelf staat, het had ook kunnen bestaan zonder dat mijn vader Louis Tas was geweest. Maar dat hij het was geeft het wel een extra lading. En die schaamtelijn, daar kon ik niet omheen.”

Schaamte voor uw vader ook; u en uw tweelingbroer zijn de jongsten van acht kinderen, uw vader werd soms aangezien voor uw opa.

“De schaamte is begonnen in mijn jeugd, die heeft niet alleen te maken met het Jodendom. Ik heb geprobeerd een verband te leggen tussen het hebben van zo’n oude vader en het zijn van een migrantenkind. Ik herken veel in mijn biculturele vrienden – dat gevoel dat je ouders er niet bij horen. Wat daar ook bijkwam, is dat de aanstaande dood altijd een rol speelde. Mijn vader was van 1920, hij was even oud als de vader van mijn moeder. Ik was een gevoelig, observerend kind. Ik besefte heel goed dat het allemaal zomaar voorbij kon zijn.”

U beschrijft hoe uw Joodse achtergrond thuis werd verdrongen, en hoe u juist op zoek gaat naar die identiteit.

“Het was een soort sluimeridentiteit, ook omdat daar allemaal schaamte zat. En ik voelde daar aanvankelijk ook veel verzet: ‘We gaan dit nu níet allemaal reduceren tot die oorlog!’ Maar de oorlog heeft een harde breuk veroorzaakt in het Jodendom, om dat te kunnen onderzoeken moest ik juist naar die oorlog. Zoals je niet wil dat je ouders dood zijn, wil je niet dat er een oorlog is geweest die jouw voorouders heeft geraakt. Maar je zult daar toch aan moeten. Muziek heeft voor mij een essentiële rol gespeeld om die dingen met elkaar te verbinden.”

Uw vader zei over uw zingen: ‘Je klinkt net als oma.’ U ontdekte dat uw grootmoeder Frieda, de zus van schrijver Abel Herzberg, na Bergen-Belsen ook nooit meer heeft gezongen.

“Muziek is overleven, het is onze drang om verhalen door te geven. Zodra je zingt ben je niet alleen, want je doet de lippen van je voorouders meebewegen. Wat zegt het dan als je niet meer zingt? Wat zegt het als je grootmoeder niet meer zingt? Als muziek overleven is, wat is dan die stilte? Sterven?”

Uw boek eindigt optimistisch, met een teruggevonden melodie die door de hoofdpersoon Shula wordt gezongen. Zingt u zelf ook weer?

“Nog niet in het openbaar. Maar ik zing heel veel voor mijn kinderen. Dat is een nieuwe manier om er weer verliefd op te worden. Het mooie van kinderen is, dat ze zonder oordeel luisteren. Maar ik hoor nu ook van mensen die mij ooit hebben horen zingen: ‘Doe het, het mag er zijn!’ Daardoor gaat die deur weer wat verder open. Dit gaat over ruimte durven nemen.” Hapt naar adem. “Nu ik dit zeg denk ik: ‘O god, nou moet ik dus.’ Wéér die schaamte.”

Shula Tas
Waar gezongen wordt
Podium €20,99
142 blz

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden