PlusInterview

Schrijver Sholeh Rezazadeh: ‘Iran en Nederland zijn tegenovergestelde werelden’

In haar debuutroman De hemel is altijd paars schakelt Sholeh Rezazadeh tussen het Amsterdam van nu en het Iran van toen. Over judasbomen, eenzaamheid, dorst naar liefde en een vader die ooit wijs was.

Het hoofdpersonage in De hemel is altijd paars heet Arghavan, Perzisch  voor judasboom. Beeld Getty Images/iStockphoto
Het hoofdpersonage in De hemel is altijd paars heet Arghavan, Perzisch voor judasboom.Beeld Getty Images/iStockphoto

Met poëtische zinnen in een hechte compositie schept Sholeh Rezazadeh in nog geen tweehonderd bladzijden vele werelden. De belevingswereld van haar personage Arghavan – de Iraanse die naar Nederland is gereisd als van de ene mens naar de andere, eenzaamheid de prijs om ‘in deze prachtige herberg’ te verblijven; een onzicht­bare bal achter haar borstbeen die meereist waar ze ook gaat, die zwaarder wordt en het moeilijk maakt de wereld en de mensen daarin te omarmen.

De wereld van tweedehandsdingen, waarin een gebarsten blauw kopje kan staan voor een tijdreis naar een zevenjarig meisje dat door haar moeder wordt meegetrokken in de overdekte bazaar van Tabriz. De wereld van bomen, waaraan je je vragen kunt stellen en die ondergronds met elkaar communiceren, maar niet van hun plaats kunnen – behalve, in verbeelding, die solitaire boom, in de woestijn.

De wereld van mensen die stug volharden in voorstelbare vragen, maar nooit zullen vragen wat je gisteravond hebt gedroomd of wanneer het leven je voor het laatst heeft verbaasd. En ook: de wereld van een jonge vrouw die de nette rechte tanden van de vader die haar altijd meenam naar de rode bergtoppen, geel ziet vervormen door de opium waarin hij ontsnapping zoekt. ‘Ik metselde elke dag een paar stenen tussen ons. De tijd fungeerde als cement.’

Om dan maar meteen wél die vraag te stellen: wat heeft u gisteravond gedroomd?

“Ik heb altijd heel grappige dromen, heel helder ook, als een film. Ik heb theegedronken met de oude koningin van Perzië in haar paleis. Ze had iedereen weggestuurd want ze wilde even rustig alleen zijn met mij. Ze liet me het paleis zien, maar ze zei: ‘Dat ik koningin ben en op zo’n mooie plek woon, betekent niet dat ik gelukkig ben.’ Dat is zoals ik zelf in Nederland woon. Iedereen in Iran denkt dat je hier wel gelukkig móet zijn, want in Nederland is alles perfect.”

Maar er is altijd die zware bal, zoals u schrijft.

“Ja, in die zin is mijn roman autobiografisch. Ik had het verhaal over mijn vader al veel langer in mijn hoofd, maar ik kon het niet delen. Ik durfde het niet te vertellen, laat staan op te schrijven. Maar toen kwam ik naar Nederland, van een heel erg drukke maatschappij naar een rustige, zonder familie en vrienden om me heen. Dat dwong me om in mijn hoofd dieper te gaan. Wat wil ik zeggen? Vooral omdat ik in een andere taal begon te schrijven. Het was makkelijker om die onuitgesproken woorden in een vreemde taal te passen; dat was een beetje afstandelijker en daarom ook makkelijker.”

U schreef de roman van meet af aan in het Nederlands?

“Nee, de eerste twee hoofdstukken heb ik eerst in het Perzisch geschreven; ik had nog geen uitgeverij, ik was vooral bezig met het leren van deze nieuwe taal. Het idee voor dit boek kwam door een brief van de gemeente dat de bomen voor mijn huis omgezaagd zouden worden. Bomen waar ik elke ochtend naar keek bij het ontbijt, als een vorm van meditatie. Bám, daar had ik een begin en ik heb meteen het eerste hoofdstuk geschreven waarin mijn hoofdpersoon een brief krijgt dat de bomen voor haar winkel weg moeten. Judasbomen, heb ik daarvan gemaakt, want ik had heel veel met het gedicht over judasbomen – arghavan,zoals ze in het Perzisch heten – van de Perzische dichter Sayeh. Ik dacht: waarom combineer ik niet wat er gebeurt met wat er in mijn hoofd zit?”

“Maar toen kwam ik iemand van de uitgeverij tegen en mocht ik twee hoofdstukken insturen en de synopsis en heb ik ze vertaald. Toen ik verder ging schrijven diende zich opeens de tijd aan dat mijn vader verslaafd begon te raken en ik dat als meisje in de gaten begon te krijgen. Vanaf daar ben ik direct in het Nederlands gaan schrijven. Ik wilde hiervan ook geen Perzische versie hebben.”

‘Opeens’ zegt u. Was dit het moment, een gevoel van urgentie dat u het verhaal moest vertellen? Het verhaal van die vader die in zijn verslaving verdwijnt en een dochter die door de moeder ongewild was?

“Ik heb lang met de pijn rondgelopen. Ik was in mijn hoofd te druk met studeren. Geneeskunde, dat heb ik ook afgemaakt. Ik was wel al bezig met literatuur, maar dat heel erg in mezelf duiken is pas gebeurd toen ik hier was. Toen ik realiseerde wat een heftig leven dat was. Als je jong bent, ben je eerst een soort verliefd op je ouders, ze zijn je helden. Maar langzaam, als je volwassen wordt, zie je dat ze mensen zijn als andere mensen – niet perfect. Ik moest dit verhaal schrijven om te kunnen doorgaan met mijn leven, rustiger te worden in mijn ziel. Ik wil niet klagen of zeuren, niemand wil andere mensen bewust pijn doen, laat staan je kind. Maar het was zo helaas.”

U schrijft ook heel liefdevol over die vader en de ritten naar de bergen, het zingen onderweg. Voor uw hoofdpersoon is het ondraaglijk in het land te blijven ‘waar de rode bergen en de schijnende zon’ haar aan die liefdevolle vader van vroeger doen denken.

“Als hij niet ooit wijs was geweest, was het makkelijker geweest het te accepteren. Nu is het of iemand mijn vader heeft gepakt en er een ander in heeft gepropt. Het is moeilijk, maar zo ga ik met mijn pijn om: ik ga een boek schrijven.”

En u bent daarom weggegaan uit Iran?

“In mijn geest heb ik dat ervan gemaakt. In werkelijkheid ben ik naar Nederland gekomen voor de liefde. Maar toen ik nog in Iran was, wist ik al dat ik afstand moest gaan nemen, dat zo dichtbij blijven niet goed was voor mij.”

Uw Arghavan schakelt tussen heden en verleden door een gebarsten kopje, of door rozenblaadjes in haar thee te strooien.

“Die ervaringen heb ik zelf echt. Ik zie iets, ik ruik iets en dan brengt me dat naar een andere tijd en plek. Bám! Shit, daar zij we weer! Soms is het leuk, maar meestal niet. Je wil doorgaan met leven, niet blijven hangen in bitterzoete nostalgie.”

De liefde voor bomen vormt de rode draad in uw boek. Is die zo sterk bij u?

“Als kind was ik al dol op bomen. Ik weet nog dat als er in ons huis onrust was, ruzie, ik de ­hele dag onder de boom ging zitten in de tuin, een beetje spelen met de mieren. Die boom, zo hoog boven mij, sprak in mijn hoofd tegen mij: ‘Ik ben hier, wees gerust.’ En dan voelde ik me beschermd. Ik geloof dat de natuur ons echt iets geeft. We zijn afhankelijk van elkaar als mensen, maar meestal is het de natuur die de echte antwoorden geeft, die zonder tong tegen je praat.”

U heeft ook de Nederlandse volksaard scherp geobserveerd – we krijgen onszelf te zien door de ogen van uw hoofdpersoon.

Rezazadeh gebaart om zich heen. Een Perzisch tapijt in de woonkamer. “Maar een Nederlandse gatenplant. En de gordijnen open, ook heel Nederlands. Toen ik drie jaar geleden aan dit boek begon te schrijven, vielen de verschillen me meer op dan nu. Als je dingen niet gewend bent, kun je gechoqueerd zijn doorn hoe anders mensen zijn.”

“Iran en Nederland zijn tegenovergestelde werelden. In Iran gaat alles spontaan, in Nederland moet je alles afspreken. In Iran vraag je niets aan mensen maar laat je ze de ruimte te zeggen wat ze willen zeggen. Voor mij was dat hier heel raar. Wie ben je? Waar woon je? Waar kom je vandaan? Waar heb je zo goed Nederlands geleerd? Bám, bám, bám. Mensen nemen weinig tijd, ze willen informatie, ze willen liefst zo snel mogelijk een beeld van je vormen. Ik zou heel graag iemand in de loop van de tijd willen leren kennen, door kleine dingen.”

Arghavan projecteert haar verlangen naar liefde op een Nederlandse jongen die wordt aangetrokken door haar exotische uitstraling, maar haar toch binnen zijn Hollands nuchtere mal wil passen.

“Ik heb vaak gezien – van afstand, bij mijzelf gelukkig niet – hoe alles kan misgaan in de ­liefde, door de liefde. Hoe mensen elkaar on­bewust pijn doen. Soms heeft iemand geen zin, of is het de verkeerde tijd, of ben je zo dorstig dat je eindigt met de ergste optie.”

Veelzeggend is de scène met de vriendengroep van deze jongen, waarin zij als paradijsvogel ontzettend niet thuis is.

“Dat gevoel heb ik zelf vaak. Als ik ergens binnenkom, kan ik meteen voelen: dit is niet mijn sfeer, hoe kom ik hier weg? Dan begin ik in mijn hoofd verhalen te schrijven. In deze maatschappij is bijna geen ruimte voor mensen die anders zijn, je moet passen in wat de maatschappij verwacht; sociaal kundig zijn, een goede baan hebben. Óf je probeert op de rest te lijken, óf je raakt geïsoleerd. Dat was in mijn hoofd ook een thema: er is hier niet veel ruimte voor andersvoelenden.”

“Maar ook in Iran speelde dat bij mij al. Op school, op de universiteit, ik voelde me nooit op mijn gemak. Helaas was ik een goede leerling en student en daardoor deed ik alleen maar die serieuze dingen. Literatuur is ook serieus natuurlijk, maar ik bedoel: serieus van de ­buitenkant. Tijdens mijn studie schreef ik gedichten, soms zelfs tijdens de examens. Want als het komt, dan komt het. En ik wist: ooit ga ik iets met literatuur doen, daar is mijn thuis.”

Sholeh Rezazadeh, De hemel is ­altijd paars, Ambo Anthos, €21,99, 208 blz. Beeld
Sholeh Rezazadeh, De hemel is ­altijd paars, Ambo Anthos, €21,99, 208 blz.

Sholeh Rezazadeh

Sholeh Rezazadeh (1990) is dichter en schrijver. Ze studeerde geneeskunde in Iran en kwam in 2015 naar Nederland. In 2018 won ze de Agora Letteren Schrijfwedstrijd voor proza en in 2019 de El Hizjra Literatuurprijs voor poëzie. Ze publiceerde onder meer in De Gids, Papieren Helden, Awater en De Poëziekrant. De hemel is altijd paars is haar romandebuut.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden