Plus Interview

Schrijver Rebecca Makkai: ‘Het beeld dat hiv onder controle is, klopt niet’

Met Een stralende toekomst heeft Rebecca Makkai een aangrijpende roman geschreven over de aidsepidemie die in de jaren tachtig een vriendenclub in Chicago decimeert. En ja, de titel is cynisch.

Rebecca Makkai. Beeld Ulf Andersen/Getty Images

Ze is activist geworden, zegt Rebecca Makkai. Ze kon niet anders na haar roman The Great Believers uit 2018, hier vertaald als Een stralende toekomst. Het verhaal over de homoseksuele vriendenclub in Chicago, waarvan haar hoofdpersoon Yale en zijn partner Charlie deel uitmaken en die midden jaren jachtig zwaar wordt getroffen door de aids­epidemie, houdt niet op in die jaren tachtig, of met de dood van Charlie en uiteindelijk ook Yale.

Ze laat zien hoe de gebeurtenissen van toen hun tentakels hebben in het heden van de nabestaanden en de overlevenden, hoe het leed generaties vormt. En dat het leed nog helemaal niet voorbij is. “Donald Trump heeft afgelopen jaar alle leden van de hiv/aidsadviesraad ontslagen. Hij heeft 1 miljard dollar teruggetrokken uit de wereldwijde financiële steun voor aidszorg. Meer dan 1 miljoen Amerikanen hebben hiv, van hen sterven er jaarlijks nog altijd zesduizend. Wereldwijd zijn er 35 miljoen mensen met hiv. We hebben onszelf verteld dat het voorbij is. Nee, het ís niet voorbij.”

Haar roman heeft de discussies weer aangejaagd, ze houdt spreekbeurten, zit in panels en doet mee aan fundraisers door heel de VS. “Ik was aanvankelijk beducht om over dit onderwerp te schrijven. Ik ben homoseksueel noch man – het is niet mijn geschiedenis, ik zou ervan kunnen worden beschuldigd dat ik me die toe-eigen. En ik was ook wel bang dat ik lezers zou wegjagen met een onderwerp als dit. Maar al heeft mijn boek een droevige ondertoon, het is niet deprimerend. De boodschap is niet dat het leven geen zin heeft, dat alles voor niks is geweest – want zo kijk ik zelf niet tegen de wereld aan.”

U hebt ervoor gekozen een laag toe te voegen die speelt in Parijs in 2015. Fiona, de zus van een van de eerste slachtoffers in de vriendengroep, reist naar die stad om haar verloren dochter te zoeken. Ze logeert bij fotograaf Richard, die Chicago in het midden van de jaren tachtig heeft vastgelegd en overleefd. Waarom heeft u daarvoor gekozen?

“Als ik het boek niet naar het nu had doorgetrokken, zou het zo veel hopelozer zijn geweest. Ik wilde weten hoe het mensen verging die het hadden overleefd, die wél nog een toekomst bleken te hebben – want ja, de titel van mijn boek is zowel in het Engels als in het Nederlands cynisch. Ik wilde weten hoe ze emotioneel uit die tijd zijn gekomen. Wat gebeurt er in die dertig tussenliggende jaren, wat doen die met je geheugen; wat betekent het om zo jong zo veel mensen om je heen te hebben verloren, hoe is het om zelf als een van de weinigen te overleven?”

“Iedereen die ik daarover interviewde tijdens mijn research bleek een ongelooflijk gevoel voor humor te hebben, het waren heel bijzondere mannen. Mijn boek begint met een bijeenkomst van de vriendenclub na de dood van Nico, daarmee zet ik hun microkosmos in Boystown neer, de homobuurt van Chicago. Nico was een jongen vol levenslust, hij wilde het leven vieren. En hij wilde dat zijn vrienden het leven zouden blijven vieren. Niet dat dat lukt, maar ze probéren het, want je kunt niet alleen maar zwelgen in ellende.”

Ik heb begrepen dat u aanvankelijk helemaal niet van plan was over aids te schrijven.

“Dat klopt. Mijn tweede roman, The Hundred-Year House, ging over een kunstenaarskolonie in 1929 in de buurt van Chicago. Ik had veel onderzoek gedaan naar de kunstscene van die tijd en er waren dingen waarin ik me verder wilde verdiepen, zoals de relatie tussen de kunstenaar en zijn model, zijn muze. Maar omdat ik net een historische roman had geschreven, wilde ik het boek niet in de periode zelf laten spelen, maar dat model laten terugkijken op haar leven. Zo raakte ik in de kunstwereld van de jaren tachtig in Chicago verzeild – en kwam ik terecht bij de aidsepidemie daar.”

“Ik kwam erachter dat er geen boeken over waren. Er wordt alleen in gerefereerd aan boeken over Chicago, maar doorgaans gaat het over aids in de New Yorkse scene. En dan nog: in boeken en films is aids vaak louter een zijlijn; iemands vriend gaat dood, iemand treft een leeg bed in het ziekenhuis. Ik bedacht dat je als je zo’n vriendenclub laat zien, zo’n zelf­verkozen ‘familie’ die door de ziekte uiteengeslagen wordt, een veel dwingender beeld geeft van de tragedie die zich toen heeft voltrokken. Dan kun je voorbij het stereotype, je kunt laten zien hoe complex de verhoudingen waren.”

Dat bracht haar op het personage Yale, die voor het museum waarvoor hij werkt op bezoek gaat bij de oude Nora, die haar collectie Modigliani’s, Soutines, Pascins en Fujita’s wil overdragen – mits de werken van haar geliefde van ooit, de veel minder getalenteerde schilder Ranko Novak voor wie ze ook model stond, worden geëxposeerd. Yale woont samen met Charlie – hun relatie lijkt de constante factor in een wilde wereld. Tot Charlie na overspel besmet blijkt. Dan gaat het over liefde en loyaliteit – wie gaat met wie, wie blijft bij wie en wie zorgt voor wie?

U zei zojuist dat u aanvankelijk bang was voor beschuldigingen van culturele toe-eigening. Hoe hebt u die angst bedwongen?

“Ik heb die niet als een stopbord gezien, maar als een waarschuwing voor een gevaarlijke kruising. Een witte man die over een zwangere zwarte slavin schrijft... Je moet niet álles willen. Maar als je het gevoel hebt dat je echt iets kunt bijdragen, moet je het proberen. Ik heb mezelf ervan overtuigd gewoon te beginnen, om te kijken of het zou werken. Je kunt je eigen onzekerheden en je angst voor de markt – willen mensen wel een roman over aids? – niet al je beslissingen laten sturen. Als ik erover nadacht was dat met een zekere afschuw: wat ben ik in godsnaam aan het doen? Maar ik wilde het, ik moest.”

“Ook daarom heb ik later besloten de verhaallijn van Fiona toe te voegen, iemand die in demografisch opzicht dichter bij mezelf ligt. Fiona heeft voor alle graven van de vrienden van haar broer gezorgd en komt erachter dat iemand die ze had dood gewaand, nog blijkt te leven. Dat is zeer verwarrend voor haar. Ik kwam daar op omdat ik verhalen te horen kreeg van mensen die via Facebook een vriendschapsverzoek kregen van iemand van wie ze al die jaren hadden gedacht dat hij was overleden. Door Fiona en de gesprekken die zij voert, door haar reflectie op die tijd, is het boek veel sterker geworden.”

Hoe zag uw research eruit? 

“Omdat er geen boeken waren, ben ik in de archieven van de gaykranten gedoken: die versloegen de gebeurtenissen veel uitgebreider dan bijvoorbeeld de Chicago Tribune. Die had er wel een verslaggever op zitten, maar de verslaggeving was algemener. De grote demonstraties van 1990 worden wel genoemd, maar de kranten gingen niet in op de problematiek die de gay papers wel meldden – het gedoe met verzekeringen, de ontoereikende ziekenhuiszorg.”

“En ik heb ontzettend veel mensen geïnterviewd. Artsen, verpleegkundigen, advocaten, activisten, historici, kunsttherapeuten, over­levenden. Soms waren de gesprekken algemeen, soms had ik specifieke vragen. De meesten hebben het manuscript ook gelezen om de feiten te checken. Zo had ik geschreven dat de menigte tijdens de Pride Parade danste op Donna Summer. Néééé, zei een van de deelnemers van destijds, níet Donna Summer. Die had kennelijk iets homofoobs gezegd, dus die lag eruit.”

Het is Nora die in uw boek de parallel trekt tussen de aidsepidemie en de Eerste Wereldoorlog waar haar kunstenaarsvrienden in moesten vechten – twee verloren generaties. Hoe staat u tegenover die analogie?

“Een groep vrienden die op jonge leeftijd vrijwel tegelijk sterven of in constante angst leven te zullen sterven, is voor mij hetzelfde als een groep jonge mannen die de oorlog in worden gestuurd. Het is een andere vorm van de strijd ingaan – maar een strijd was het. Tijdens demonstraties werden zieke mensen die op de bres sprongen voor gelijke rechten in elkaar geslagen.”

“Mensen van nu hebben geen idee. Toen ik hierover in een radioprogramma in de VS had gesproken, kreeg ik een mail van een luisteraar. ‘Hoe durft u een oorlogsheld te vergelijken met iemand die een vieze ziekte heeft opgelopen.’ Mensen begrijpen niet hoe hard er toen is gevochten, hoeveel mensen zich hebben opgeofferd voor die strijd om gelijke rechten, betere en betaalbare medicijnen, betere gezondheidszorg in de VS.”

“En nu is er Trump die de hele boel weer ontmantelt. En dat haalt amper het nieuws, omdat er om de vijf minuten wel weer iets gebeurt rondom Trump. Maar het beeld dat hiv onder controle is, klopt niet. Het aantal nieuwe infecties is al heel lang niet gedaald. In de VS gaat het vooral om donkere mannen in de zuidelijke staten die geen toegang hebben tot goede gezondheidszorg. Alleen als je heel goed verzekerd bent, valt hiv onder controle te houden.”

Hoe verhoudt zich dat tot Europa?

“Als je kijkt naar de jaren tachtig, dan hebben de meeste Europese steden het veel beter gedaan dan die in de VS. Er was meer educatie, meer geld – en er rustte minder stigma op homoseks. In de VS nam toenmalig president Ronald Reagan het woord aids pas in de mond in 1987 – zo bang was hij dat alleen al het noemen van de ziekte hem als oud-Hollywoodster verdacht zou maken bij de conservatieven. Terwijl hij bevriend was met Rock Hudson, die in 1985 aan aids overleed. Terwijl in dat jaar 16.000 Amerikanen aan aids waren verleden. Hij probeerde zijn handen schoon te houden – maar kreeg zo bloed aan zijn handen.”

Finalist voor Pulitzerprijs

Rebecca Makkai (40) schrijft romans en korte verhalen. Ze debuteerde in 2011 als romanschrijver met The Borrower (De lener, uitgegeven door Orlando). Met The Great Believers (Een stralende toekomst, Nieuw Amsterdam) won ze de Chicago Review of Books Award en is ze genomineerd voor de National Book Award en de Pulitzerprijs voor fictie.

Een stralende toekomst, boek, boeken, coverkosteloos Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden