PlusInterview

Schrijver ­Patrick Bassant: ‘Hemingway was een enorme poseur’

Beeld Martijn Rijnberg

Met evenveel durf als ambitie vlecht Patrick Bassant in De vlinder in de inktpot een fictieve Amsterdamse fotograaf door het verhaal van de Nederlandse intellectuelen in de Spaanse Burgeroorlog.

Elf pagina’s beslaat de literatuurlijst achter in het boek. “Misschien te protserig?” vraagt ­Patrick Bassant. Nee, niet te protserig. Het bewijs van de duizelingwekkende research die vooraf is gegaan aan zijn roman De vlinder en de inktpot, die voert naar de jaren 1936 en 1937 van de Spaanse Burgeroorlog en culmineert in het anti-fascistische schrijverscongres van juli 1937 in Madrid.

Het is het verhaal van de werkloze Amsterdammer Pit, die door de communistische partij wordt gerekruteerd om als fotograaf de wandaden van de franquisten en de heldendaden van de republikeinen vast te leggen. Zijn tegenpool in het boek is Johan Brouwer, intellectueel en NRC-correspondent die als journalist van een rechtse krant juist de andere kant wil belichten. Maar de werkelijkheid van de oorlog blijkt weerbarstiger.

Het gesprek vindt plaats in café-restaurant De Plantage in de Plantage Kerklaan– een historische plek, aan de gevel de plaquette ter herdenking van de aanslag op het aldaar gevestigde bevolkingsregister in 1943 door het verzet onder leiding van Gerrit van der Veen. Twaalf leden van de groep, onder wie Johan Brouwer, werden door daarna de Duitsers geëxecuteerd.

U heeft zich voor dit boek enorm ingegraven, niet alleen in de geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog maar ook die van de Nederlandse intellectuelen die in Spanje actief waren, zoals dichter Jef Last, die kapitein was in het republikeinse leger.

“Ja, daar heb ik me ook enorm op verkeken. De directe aanleiding voor mijn boek was een artikel dat ik las over een koffertje met negatieven van oorlogsfotograaf Robert Capa en zijn vriendin Gerda Taro dat via een assistent naar een Mexicaanse diplomaat was gestuurd.”

“Capa was na de Burgeroorlog Europa ontvlucht, hij had in Amerika fotobureau Magnum opgericht. Hij wist dat die foto’s van de Burgeroorlog van belang waren, en dat ze hem geen windeieren zouden leggen. Toch heeft hij geen poging gedaan ze terug te vinden.”

“Begin jaren negentig werd dat koffertje door de kleinzoon van die diplomaat op zolder teruggevonden. Die heeft contact opgenomen met de Robert Capa Foundation en Capa’s jongere broer Cornell. Vervolgens heeft het nog twintig jaar geduurd voor het van Mexico-Stad naar New York kwam – beide partijen zeggen dat het niet om geld ging.Dat vond ik heel intrigerend.”

Maar daar gaat dit boek helemaal niet over...

“Nee, daar gaat dit boek helemaal niet over. Maar ik begon aan een soort detective, de werktitel was De koffer van Capa. Ik dacht: ik lees twee boeken over de Spaanse Burgeroorlog voor de setting. Maar dat was een misrekening. Er waren zoveel historische werken en romans.”

“Kijk, een historicus heeft een gerichte onderzoeksvraag. Maar als romanschrijver wil je álles weten. Ik begon te lezen over oorlogsfotografie, over de belangen van kunstenaars in oorlogen en hoe moeilijk het is morele keuzes te maken en ook weer te herroepen. Alles kon informatie bevatten waar ik wat aan kon hebben.”

“Ik kwam er bijvoorbeeld achter dat ze in die tijd een cocktail dronken die American Milk werd genoemd: gecondenseerde melk met cognac. Een prachtig detail. Zoiets vind je in een roman, niet in een geschiedkundig boek.”

En Capa werd louter een randfiguur.

“Ik merkte dat het me niet lukte Capa als personage te gebruiken. Maar de fotografie in de Spaanse Burgeroorlog was wel baanbrekend, voor het eerst werden draagbare camera’s gebruikt; bij de oorlogen daarvoor werd vanaf statief gefotografeerd waardoor de bevelhebbers konden bepalen waar dat statief werd geplaatst. Daar wilde ik iets mee.”

“En vandaar kwam ik uit op het kunstenaars­engagement. In de Spaanse Burgeroorlog zijn veel schrijvers en kunstenaars naar Spanje gegaan om zich aan te sluiten bij de strijd tegen oprukkend rechts. Sommigen gingen daar ouderwets vechten, anderen gebruikten hun pen, penseel of camera als wapen.”

Hoe verklaart u dat?

“Het heeft veel te maken met de beeldcultuur die opkwam, met bladen als Life en Time en Paris Match. Mensen als Capa en Ernest Hemingway hadden snel in de gaten dat met foto’s en artikelen meer mensen konden bereiken.”

En dus ook veel Nederlandse schrijvers.

“Ik moest even goed nadenken: Jef Last, wie was dat ook alweer? Tijdens mijn studie Nederlands was hij wel langsgekomen, maar toen ik ontdekte dat hij echt gevochten had, kon ik me flink op hem storten. Een linkse dichter die besloot een geweer op te pakken, goede vriend van André Gide, openlijk homoseksueel. Wat een intrigerende man. En Johan Brouwer net zo goed. Moordenaar in zijn studententijd, groot hispanist, schrijver, journalist en verzetsheld.”

U kruipt zelfs in Brouwers hoofd in de delen die vanuit zijn perspectief zijn geschreven, en in dat van Last als hij zijn verhaal aan Pit vertelt.

“Dat was mede mogelijk omdat ze zelf zo veel hebben geschreven in de oorlog. Dat was anders met de 600 tot 800 ‘gewone’ Nederlandse vrijwilligers. Er zijn wel overlevenden geïnterviewd, die transcripties heb ik gelezen bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis, dat zijn veel feitelijker verslagen.”

“Heel veel wat er toen over de Spaanse Burgeroorlog werd geschreven, was in beton gegoten. Of je communist was, katholiek, grootgrond­bezitter of anarchist, het was vooral het steunen van je eigen gelijk. Oorlog is zo zwart-wit. Maar bij Brouwer zie je in zijn werk een kentering. Eerst staat hij als katholieke journalist aan de kant van de opstandelingen, maar gaandeweg ontdekte hij dat hij aan de verkeerde kant zit. Hij is steeds minder rechts geworden. Hij is ook weggejaagd bij NRC en voor De Groene Amsterdammer gaan schrijven. Maar dat betekende wel dat hij overal waar hij kwam met wantrouwen werd bekeken.”

Juli 1937: het antifascistische schrijverscongres in Madrid. Beeld Ullstein Bild via Getty Images

U schetst een toneel waarop Pit de ene na de andere beroemdheid tegen het lijf loopt. Tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs raakt hij bevriend met Picasso en Dora Maar, hij gaat op pad met filmmaker Joris Ivens en Hemingway... 

“Er waren nog zo veel meer kleurrijke personages die níet in mijn boek zitten. Maar als je hebt besloten je boek zo goed mogelijk te laten kloppen, moet je gebruik maken van de figuren die er toen rondliepen. Over de Wereldtentoonstelling van 1937 was helemaal niet zo veel bekend, maar het is geweldig wat je ontdekt als je je er echt in verdiept. De Sovjet-Unie en Duitsland pakten die aan om hun spierballen te laten zien, het was een voorafspiegeling van de krachtmeting die ging komen – zo megalomaan, dat moet angstaanjagend zijn geweest.”

Toch werden die voortekenen niet gezien.

“Nee hè? Als je achterom kijkt denk je: hoe kan het dat dat niet is opgepakt. Vanaf het moment dat Hitler aan de macht kwam is hij bezig geweest Joodse intellectuelen het land uit te jagen. De communisten waren zich wel bewust van de dreiging die Hitler vormde. Maar voor Nederland was Hitler tot op het laatst nog een bevriend staatshoofd.”

Tegenover de intellectuelen zet u de naïeve Pit, die aanvankelijk overal maar inrolt en pas laat in de gaten krijgt hoe hij wordt gebruikt.

“Pit is het oliemannetje, het personage dat ik nodig had. Hij stuitert ongestoord van plek tot plek en maakt alles mee.”

Met hem duikt u ook nog de geschiedenis in van de Amsterdamse achterstandsbuurten. Met Amsterdamse maten praat hij ook in vet bargoens.

“Ja, daar heb ik lange lijsten van aangelegd, prachtige Amsterdamse woorden uit de jaren twintig en dertig –toen er veel ergere wijken waren dan de Jordaan. We denken altijd dat de Jordaan het dieptepunt was, maar de krottenwijk Hemelrijk, bij Kattegat en Spui, was veel erger. Drie suikerwerkfabrieken stonden er: ’t Groot Hemelrijk, ’t Oude Vermaarde Vagevuur en de Hel. Ja, echt. Het is bijna niet voor te stellen hoe het daar gestonken moet hebben met alle vocht, schimmel en dan de caramelwalmen van die fabrieken.”

En of het allemaal niet genoeg was, besloot u ook nog Ernest Hemingway in losse hoofdstukken een podium te geven.

“Ja! Ja! Ja! Ja! je hebt naast al die serieuze denkers, en al die schermutselingen op het scherpst van de snede, een paljas nodig. Hemingway was een enorme poseur. Hij ging niet naar Spanje om het geweer op te pakken, maar liet zich wel met een geweer fotograferen. Om zich daarna vol te laten lopen met whiskey en thuis te vertellen hoe spannend het geweest was in de Spaanse Burgeroorlog. De opgeblazen padvinder! Het boek groeide en groeide.”

Lacht. “Maar er zijn ook hele stukken weggevallen hoor! De moordaanslag op Trotski in 1940 door veteranen uit de Burgeroorlog die naar Mexico gingen met de opdracht hem te vermoorden bijvoorbeeld. Twintig man, duizend kogels, en het is ze alleen gelukt de teen van de kleinzoon van Trotski te raken. Een kolderiek verhaal. Dertig pagina’s, het paste er niet meer in – maar het staat nog op de harde schijf.”

En dat koffertje van Capa?

“Inmiddels zijn al die foto’s in prachtige boeken gepubliceerd. Nee, daar is het geheimzinnige nu wel van af.”

Patrick Bassant

Patrick Bassant (1977) studeerde Nederlands in Amsterdam en Leuven. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift DWB en werkt in de geestelijke gezondheidszorg. Hij debuteerde in 2012 met de roman Joy, die werd genomineerd voor De Bronzen Uil. De vlinder in de inktpot is zijn tweede roman. Bassant woont en werkt in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden