PlusInterview

Schrijver Arthur Japin: ‘De pesters hebben mij gemaakt tot wie ik ben’

Beeld Thibaud Moritz

Arthur Japin, de schrijver die gedijt bij eenzaamheid, verlaat het Franse platteland om zijn nieuwe boek onder de mensen te brengen. Zijn lezers geven hem energie.

Toen corona toesloeg, vertrok Arthur Japin naar zijn tweede huis in de Franse Périgord. Met partners Lex (66) en Benjamin (43) woont hij er in een oude boerderij tegen een hoge heuvel in een soort sprookjesbos. Zijn hele leven verzint de schrijver al excuses om niemand te hoeven zien, niet te hoeven praten, liefst niet gezien te worden. Het strenge coronaregime in Frankrijk voelde als een bevrijding.

“In afzondering kom ik het best tot mijn recht. Voor mij waren de afgelopen maanden heel vruchtbaar. Toch vertrek ik binnenkort naar Nederland, omdat het circus weer begint.” Dat ‘circus’ is de promotie van zijn nieuwe roman, Mrs. Degas – over het Creoolse nichtje van Edgar Degas, op wie de Franse schilder verliefd was.

Het motto van het boek is dat een auteur eigenlijk twee levens nodig heeft: een om te schrijven en een om te leven. Het komt van schrijver Henry James. Hoe zit dat met u?

“Schrijven is mijn leven. Noodzaak. Ik heb mijn jeugd overleefd door te leven in mijn fantasie. Op zolder bouwde ik mijn eigen wereld, later was theater een vlucht uit de werkelijkheid. In Frankrijk kan ik mij terugtrekken in mijn eigen wereld. Inmiddels is dat mijn dagelijks werk.”

“Toen ik Mrs. Degas af had, zei Lex dat ik maar eens een tijdje niks moest doen. Toch begon ik de volgende dag aan een nieuw boek. Ik doe niets liever dan in mijn hoofd wonen en doorgaan met zoeken naar nieuwe werelden en nieuwe mensen. Daar leef ik intenser dan in de echte wereld. In mijn eigen schepping kom ik meer tot mijn recht dan in het dagelijks leven, waar ik toch veel mankementen vertoon, vooral in de omgang met anderen. Dat heeft natuurlijk met mijn jeugd te maken.”

Japin had het als kind heel zwaar. Zijn ouders vochten geregeld met elkaar en op school sloegen en vernederden klasgenoten hem dagelijks. Dat hield niet op toen zijn vader – Arthur was toen twaalf – zichzelf doodde.

“Je wilt als kind niets liever dan veilig zijn. Je probeert dus voortdurend te sussen en te bemiddelen. Als mijn vader dan toch mijn moeder sloeg, hield dat het snelste op als wij ons allebei stilhielden, we ons niet verzetten maar het lieten gebeuren. Je leert dat dat mechanisme werkt. Op school pikten de kinderen mij er feilloos uit als iemand zonder verweer. Als ze scholden of sloegen, hield ik me stil. Het was de enige bescherming die ik kende.”

Was het geen optie om terug te meppen? U was niet klein van postuur.

“Mijn optie was, en die heeft me gered, dat ik in de vierde klas van de lagere school zei: ik ga op ballet. Mijn vader was toneelcriticus en nam me soms mee naar het theater, dus ik kende die wereld. Dat ik voor ballet koos, hielp niet voor de acceptatie binnen mijn klas, maar het was wel degelijk een daad. In een balletstudio komt de werkelijkheid niet binnen. Iedereen is er bezig met schoonheid, muziek, dans en beweging. Thuis en op school had ik zo veel agressie gezien, dat ik zeker wist dat ik niet die kant op moest. Ik heb nog nooit iemand geslagen. Mijn gevecht was met de werkelijkheid. Ik moest ontdekken waar begrip en schoonheid schuilt.”

Stel dat u niet was gepest.

“Dan zat ik misschien op kantoor en had ik geloofd wat de groep elkaar voorspiegelt en oplegt. Ik was geworden zoals zij. Ik had volgens hun regels geleefd en zou mijn geliefden en mijn roeping nooit hebben gevonden. De pesters hebben mij losgesneden van de maatschappij en vrijgemaakt mijn eigen pad te vinden. Zij hebben mij gemaakt tot wie ik ben.”

“Het erge vind ik dat kinderen naar school móéten. Niet alle kinderen zouden per se in de massa moeten worden geduwd. Sommige kunnen veel beter alleen zijn, dat is veiliger en beter voor hun ontwikkeling. Ik ben door mijn schooltijd jaren achteropgeraakt. Zolang kinderen verplicht naar school moeten, vallen er slachtoffers. Ík leef nog, veel kinderen niet.”

“Wat ik eraan heb overgehouden, is de gedachte dat ik niet gezien mag worden. Ik probeer nooit in een spiegel te kijken. Als ik kleding moet kopen, mijd ik de paskamer. Als ik me scheer, kijk ik alleen naar details, nooit naar het geheel. Dat zit diep in me. Daarom vind ik het vervelend gefotografeerd te worden. Dat ervaar ik soms bijna als een daad van agressie.”

Na de kleinkunstacademie heeft u jaren op een podium gestaan. Dan word je toch bekeken?

“Juist op een podium kun je onzichtbaar zijn, want je wordt iemand anders. Het theater werd, net als nu mijn lezingen, mijn veilige haven: op deze twintig vierkante meter ben ík de baas, bepaal ík het verhaal. Dat is in het volle licht staan en toch verborgen zijn.”

Nu er een nieuw boek is, zult u onder de mensen moeten. Ziet u daar tegenop?

“Iets meer naarmate ik ouder word, maar als ik eenmaal begin te toeren besef ik wat een voorrecht het is. Ik krijg energie van mijn lezers, soms troost. Ik heb een band met ze en hun trouw raakt me. Ik zie ernaar uit om hen weer te zien, al ben ik wat coronahuiverig. Maar zelfs als ze een foto willen nemen, kan dat.”

Mrs. Degas, De Arbeiderspers, €24.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden