PlusInterview

Schrijfster Julia Franck was vanaf haar geboorte ongewenst en te veel: ‘Ik voelde nu de drang deze existentiële pijn te delen’

Een meisje in West-Berlijn bij een grenshek met Oost-Berlijn (1961). Julia Franck belandde tijdens de Koude Oorlog met haar ouders en zussen in een opvangkamp in West-Berlijn. Beeld Gamma-Keystone via Getty Images
Een meisje in West-Berlijn bij een grenshek met Oost-Berlijn (1961). Julia Franck belandde tijdens de Koude Oorlog met haar ouders en zussen in een opvangkamp in West-Berlijn.Beeld Gamma-Keystone via Getty Images

In haar aangrijpende autobiografische roman Werelden uit elkaar keert Julia Franck terug naar het beschadigde, verwaarloosde meisje dat ze ooit was: een vluchtelingenkind uit Oost-Duitsland.

Hoe kon het gebeuren dat zij niet in de buurt van het stadje Enna op Sicilië of in Berkeley aan de Californische Oceaan geboren was, maar in Oost-Berlijn, ­terwijl haar overgrootmoeder Lotte al geen communiste was? Dat is de vraag die Julia Franck (51) na een stilte van tien jaar stelt en ­beantwoordt in haar nieuwe, meest autobio­grafische roman Werelden uit elkaar.

Want de geschiedenis had heel anders kunnen lopen, als haar overgrootmoeder in Italië was gebleven, als haar grootmoeder met haar broer naar Amerika was geëmigreerd. Maar zij werd het kleine meisje dat tijdens de Koude Oorlog met haar moeder en zussen in een opvangkamp in West-Berlijn terechtkwam en op school na hun Ausbürgerung moet verzwijgen dat ze een Ossie is, en ook nog eens Joods. Zij werd het kleine meisje dat nooit gewenst was, niet gezien werd en vol schuldgevoel en schaamte zo goed mogelijk de staat van chaos en verwaarlozing waarin ze opgroeit verbergt.

Zij werd de jonge vrouw vol die – ‘uit liefde’ – zelfs met haar grote liefde Stephan de gebeurtenissen en omstandigheden uit haar jeugd niet kan delen. De jonge vrouw ook die autobiografisch schrijven ‘onjuist’ vindt, want in gezinnen waar de vreselijkste dingen gebeuren bewaren mensen het stilzwijgen over het ondraaglijke en onzegbare.

‘Het mag niet zichtbaar worden en niet bekend raken. Hoe zou het mij ooit toegestaan zijn mijn stem te verheffen voor het eigene en voor mijn verhaal een vorm te vinden, taboes te omzeilen of ze onder ogen te zien? De concentratie van het tragische en hoe het zich uitbreidde van de ene generatie op de andere.’

Franck praat zacht, bedachtzaam; peilt haar gesprekspartner met helblauwe ogen tijdens een interview in het Goethe Instituut dat ze daarna als ‘intens’ zal omschrijven. Want schrijven over dat kleine meisje, die jonge vrouw, in een gelaagd, bevragend verhaal, be­tekent nu ook praten over dat kleine meisje, die jonge vrouw.

U hebt er nu voor gekozen dat ‘eigene’ te delen, nadat alles in u dat zo lang weerhouden heeft. Waarom?

“Ik heb deze pijnlijke, traumatische ervaringen een leven lang bij me gedragen en bij het schrijven van fictie merkte ik dat die altijd in een bepaalde literaire vorm naar boven kwamen, terwijl ik ze voor mezelf bleef wegdrukken. Ik voelde nu de drang deze existentiële pijn te delen, het gevoel van anders zijn, buitenstaander, alleen.”

Het verleden onder ogen te komen? Wat heeft dat met u gedaan?

“Het schrijven heeft het mij mogelijk gemaakt de schaamte van het kind en de jonge vrouw te overwinnen; het schrijven over die breuken in mijn leven, de wissel Oost-West, het feit dat ik als dertienjarige niet meer thuis kon blijven wonen en mijn tweelingzus achterliet, heb ik als genezend ervaren. Het heeft me doen inzien dat ook de vrouwen die mij voorgingen in onze familie, maatschappelijke outsiders waren; mijn overgrootmoeder die als Jodin niet met de vader van haar kinderen mocht trouwen, mijn grootmoeder door haar eigenzinnigheid, haar hang naar kunst en het communisme en haar geheime werk voor de Stasi, mijn moeder als bastaardkind van een communistische beeldhouwster. De littekens van het ‘anders zijn’ ­dragen we allemaal.”

“We werden met scheve ogen aangekeken in het dorp waar we in Noord-Duitsland kwamen te wonen. Die ongetrouwde vrouw met haar kinderen van verschillende vaders in een bouwval van een boerderij. Maar terwijl mijn tweelingzus en ik zo graag normaal gevonden wilden worden, had mijn moeder geen enkele behoefte aan assimilatie. Haar chaotische levensstijl die leidde tot onze verwaarlozing, was misschien voor haar bevrijdend, maar voor mij het tegendeel. Ik snakte naar geborgenheid, rust en orde, het stellen van grenzen die je als kind en puber nodig hebt. Maar ik besef nu veel meer dat zij dat allemaal bij haar moeder ook niet had ervaren en ze geen idee had hoe ze ons dat moest geven.”

U schrijft nadrukkelijk dat mensen dezelfde situaties anders ervaren en herinneren. Het lijkt bijna alsof u zich verontschuldigt dat u uw kant van het verhaal nu toch naar buiten brengt. Maar u bent heel ver gegaan in het ­verplaatsen in anderen.

“Ik heb uiteindelijk drie versies geschreven van deze roman, en ik had na de derde nog oneindig veel verder kunnen gaan in het uitdiepen van het ervarene, het gedachte, het gevoelde. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde er vanaf. Het was ook een verheffende gedachte dat ik mijn geschiedenis nu een plek heb gegeven.”

Een geschiedenis die u afpelt als een ui, in sprongen door de tijd en in verschillende ­literaire registers; beschrijving, herinnering, gedachtestroom, in de ik-vorm, de wij-vorm; soms afstandelijk over ‘het meisje’ én in dagboekfragmenten. Twintig dagboeken pende u in die tijd vol. Hoe was het om die terug te lezen?

“Ik heb ze ruim drie jaar geleden voor het eerst herlezen, ze zaten in een kartonnen doos die ik lange tijd maar al te graag dicht liet. Maar ik moest terug naar wat voor mij een vormende tijd is geweest en ik was toch ook benieuwd met wat voor stem ik toen schreef, wat er wel stond en vooral ook: wat niet. Wat herinner ik me dat ik níet heb kunnen opschrijven?”

Ik vond die fragmenten, mede door het tijdsbeeld, heel pijnlijk. We zijn van dezelfde generatie, we luisterden naar dezelfde muziek, ook ik schreef een kist dagboeken vol. Maar die gaan over hoe verliefd ik was op Shakin’ Stevens, gedoe met vriendinnen, en dat ik boos was dat ik mijn kamer moest opruimen...

“O, maar ik was verliefd op James Dean en daar schreef ik ook over, en wie er gemeen was geweest op school en over docenten, proefwerken en cijfers. Sommige ervaringen zijn universeel als je opgroeit. Dat je je afvraagt of je wel goed genoeg, knap genoeg, of slim genoeg bent. Of de jongens je wel leuk vinden. Wie ben ik, wie ga ik worden? Dat soort dingen staat er ook allemaal in hoor.”

Maar ik schreef niet, zoals u: ‘Ik ben niemand.’

Stilte. “Ja, dat is wel een verschil... Om terug te komen op je eerste vraag, die van waarom nu: hier voor je zit de rijpere, wijzere vrouw die de schaamte en schuld van het kind heeft overwonnen. Het is ook existentiële schuld waarover ik schrijf: ‘Waarom ben ik hier op deze wereld?’ Daar is eigenlijk geen goede reden voor te verzinnen.”

“Natuurlijk, je zou kunnen zeggen: door seks, biologie, een man en een vrouw die de nacht ­samen hebben doorgebracht. Maar er is veel meer, en het was mijn ambitie het verhaal daarachter te vertellen. Want ik ben meer dan dat beschadigde, vreemde kind dat overal werd buitengesloten. Ik ben een mens dat al ­deze familielijnen en levens die hebben geleid tot mijn bestaan kan onderzoeken. Nu ik hierover ben gaan schrijven, als oudere vrouw die zelf twee kinderen heeft grootgebracht, kan ik me veel beter verplaatsen en reflecteren op wat mijn ­familieleden en mij is overkomen. Waarom zij de mensen zijn geworden die ze waren.”

Een rode draad is uw relatie met Stephan, een jongen ‘die daarvoor nog nooit een Jood of vluchteling had ontmoet’, en die u leerde kennen toen u na een tijd van afglijden in een woongroep besloot weer naar school te gaan. In die zin is uw boek ook een liefdesverhaal.

“Ja. Absoluut. De medaille heeft ook een andere kant, en dat is Stephan. Ik had eerst het idee een in memoriam voor hem voor in het boek te plaatsen. Maar mijn vader is ook overleden, die had er dan ook bij gemoeten. En Steffi, die me opnam toen ik dertien was en die als een – wensmoeder kan ik niet zeggen, maar door de manier waarop ze me intellectueel heeft gevoed en geprovoceerd als een zenmeester voor me was.” Lacht. “Al had ze niks op met het spirituele.”

U ontmoette uw vader pas toen u zeventien was, hij was ongeneeslijk ziek en stierf voordat u in de gelegenheid was hem echt te leren kennen. Wel bleek hij twee dagboeken voor u en uw tweelingzus te hebben nagelaten.

“Die bleken een belangrijke sleutel naar ons verleden. Ze hielpen me te begrijpen en accepteren dat mijn gevoel van ontheemding en verwaarlozing geen sentimenteel zelfmedelijden was. Mijn moeder had een zoon gewild, een broertje voor haar dochter en een plaats­vervanger voor haar eigen broer die zelfmoord had gepleegd. In plaats daarvan kreeg ze twee premature meisjes waarmee ze helemaal niks kon en onze vader ook niet. We bleken eerst naar een pleeggezin te zijn gestuurd en daarna in een kindertehuis geplaatst. Het is niet gek dat ik me zo ongewenst voelde; we zijn vanaf onze geboorte teveel geweest.

Het is heel beklemmend te lezen wat een valse start deze kinderen hebben gehad. Heeft u nog contact met uw moeder?

“We zien elkaar niet vaak, eens in de drie, vier jaar. En ik bel haar af en toe. Na het lezen van mijn vaders dagboeken op mijn zeventiende heb ik contact met haar gezocht en hebben we in een café in Berlijn afgesproken. Ik heb haar geconfronteerd met haar verzwijgen van die eerste jaren. Ze kan heel dramatisch doen, dus was het niet gek dat zij degene was die begon te huilen en niet ik. Net zoals we vroeger meer voor haar zorgden dan zij voor ons.”

Weet ze dat u dit boek hebt geschreven?

“Mijn vorige boek Rücken an Rücken (Rug aan rug, 2011) gaat al deels over haar en het trauma in haar leven. Daarin heet ze Ella en loopt het veel slechter met haar af. Ik zou die niet hebben gepubliceerd als zij het niet had gewild. Een jaar geleden heb ik haar gebeld om te vertellen dat er een nieuw boek aan zat te komen. Ze was eerst vooral verrast, omdat het zo lang geleden is dat ik iets had gepubliceerd.”

“Ik vertelde dat dit boek nog persoonlijker was dan het vorige, dat het over mijn jeugd ging, maar dat het niet bedoeld is als afrekening. Wat er tussen ons twee is gebeurd, is door de jaren heen bespreekbaar geworden. Maar ik zei haar wel dat ik me kon voorstellen dat het beter was dat ze het niet zou lezen. Ze reageerde begripvol, ze zou erover nadenken. Maar, zei ze, ze was wel blij voor me dat ik weer aan het schrijven was. Ik vind het heel groots dat ze die urgentie in mij erkent.”

Een afrekening is het zeker niet, al zou je haar als lezer aan de haren naar haar kinderen willen slepen. Maar u schrijft ook heel liefdevol over hoe ze verhalen kon vertellen. En u neemt het ook voor haar op: ‘Het was geen kwade wil,’ schrijft u, en: ‘Een mens kan niet kiezen om van een kind te houden dat hij op de wereld heeft gezet.’

“Haar sprookjes, de empathische manier waarop ze kon vertellen over haar eigen jeugd, haar fantasie... Haar stem in mijn oor, dat is een van de belangrijkste cadeaus die ik van mijn moeder heb gekregen. Door haar heb ik geleerd wat de kracht van verhalen is. Zij vertelde ze, ik schrijf ze. En zij was het die ons in het kamp een leeg dagboek gaf om onze ervaringen op te schrijven. Dat deed ik niet, ik schreef verhaal-tjes. Maar zij is het die de eerste lege bladzijden in mijn leven bracht.”

Julia Franck. Beeld Mathias Bothor
Julia Franck.Beeld Mathias Bothor

Dochter en kleindochter

Julia Franck is de dochter van actrice Anna Katharina Franck en regisseur Jürgen Sehmisch en kleindochter van beeldhouwster Ingeborg Hunzinger. Ze studeerde rechten, oud-Amerikanistiek, nieuwe Duitse literatuur en filosofie. Ze schreef onder meer de romans Buiklanding, Kampvuur en De middagvrouw. Franck woont in Berlijn met haar dochter (18) en zoon (20).

null Beeld -
Beeld -

Werelden uit elkaar

Julia Franck
Vertaald door Els Snick
Wereld­bibliotheek
€22,99, 320 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden