Update

Rudy Kousbroek overleden

De Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek (archieffoto, juni 1994). Foto ANP Beeld
De Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek (archieffoto, juni 1994). Foto ANP

AMSTERDAM - Rudy Kousbroek, op eerste Paasdag overleden, was een essayist met een indrukwekkend, veelzijdig oeuvre. Hij schreef zowel doorwrochter als moeizamer dan Karel van het Reve, maar zijn plaats in het denken van de naoorlogse generaties is even onomstotelijk.

Kousbroek was een vechter met beschaafde middelen. Zijn belangrijkste thema: de strijd tegen obscurantisme en schijnheiligheid. Tegen het geloof in het bovennatuurlijke, tegen als wetenschap vermomde mystieke theorieën, tegen de valse, overdreven voorstellingen van de Jappenkampen in Nederlands Oost-Indië, waarmee voormalige gevangenen hun deel van het lijden in de Tweede Wereldoorlog opeisten. Hij maakte daarmee geen vrienden.

Het Jappenkamp kende hij uit eigen ervaring. Kousbroek, die als zoon van een plantagehouder werd geboren in Pematang Siantar, Oost-Sumatra, bracht vrijwel de gehele Tweede Wereldoorlog door in zo'n kamp. Dat hij als beginnende puber werd geïnterneerd, maakte zijn waarnemingen in de ogen van zijn tegenstanders onbetrouwbaar en dus verdacht.

Hij bestreed het beeld van keizer Hirohito als 'de Japanse Hitler' en hij relativeerde de vernederingen die de kampbewoners moesten ondergaan. Hij weet hun woede deels aan racistische motieven. Dat de koloniale gevangen moesten buigen voor Aziaten was onverdraaglijk. Kousbroek citeerde een veelgehoorde, kenmerkende uitspraak: ''We worden behandeld als koelies.''

Kousbroek voerde over deze kwestie een hevige polemiek met Jeroen Brouwers, die in zijn roman Bezonken rood de Japanse kampen gruwelijker had voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren en ze had voorzien van nazi-attributen als wachttorens. Het onderwerp liet hem niet los. Ruim vier jaar geleden verscheen van zijn hand nog een vermeerderde herdruk van Het Oostindisch kampsyndroom.

Toen hij in 1946 naar Nederland verhuisde, sloot hij op de middelbare school in Amsterdam vriendschap met Remco Campert. Dat mondde uit in de oprichting van het literaire blad Braak, waaraan ook de Vijftigers Lucebert en Schierbeek meewerkten. Kousbroeks debuut, in 1953, was een dichtbundel, De begrafenis van een keerkring.

De kritiek noemde hem cerebraal, maar de suggestie dat Kousbroek, die enige jaren wis- en natuurkunde studeerde, een gevoelsarm persoon was, berustte op een misverstand. Dat werd nog gevoed doordat hij grote bewondering toonde voor de techniek.

Hij was juist een vat vol emoties. Zie zijn fel beleden dierenliefde in De aaibaarheidsfactor (hij werd veel later lijstduwer van de Partij voor de Dieren). Zie zijn ontroering bij het zien van anonieme oude foto's. Hij schreef drie fictieboeken naar aanleiding van zulke foto's. Zie ook zijn melancholie bij de werking van het geheugen in het boekje met de veelzeggende, aan Lucebert ontleende titel Een kuil om snikkend in te vallen. Zie in zijn reisboek Terug naar Negri Pan Erkoms (Terug naar het land van herkomst) zijn wanhoop over het verlies van het mythische Indië, het verlies van zijn jeugd. Maar Kousbroek probeerde, bij alle emoties, uit alle macht zijn denken helder te houden.

Tegen onhelder denken keerde hij zich in stukken voor Algemeen Handelsblad en Vrij Nederland, die werden gebundeld in een aantal Anathema's (vervloekingen; vorige week werd de laatste bundeling nog alom lovend besproeken) en in Het avondrood der magiërs, zijn antwoord op het in hippiekring geliefde De dageraad der magiërs van Louis Pauwels en Jacques Bergier. Het zijn vooral deze boeken over modern bijgeloof die hem in 1975 de P.C. Hooftprijs opleverden.

Een paleontoloog als pater Teilhard de Chardin S.J. schreef over 'de uiterste staat van de wereld', waarin 'de eenheid samenvalt met een climax van geharmoniseerde ingewikkeldheid'. Dergelijke teksten betekenden volgens Kousbroek in het geheel niets en kwamen voort uit 'de angst voor het onbegrijpelijke'. Dit was wetenschap van het lekkere gevoel.

Kousbroek schreef: 'De radiale energie van Teilhard is een energie die zich kenmerkt door maar één eigenschap: de capaciteit om een zeker soort mensen van hun stoel te laten vallen.' Soortgelijke zinnen schreef hij over zelfbenoemde goeroes als Marshall McLuhan, Louis Pauwels (die ook oprichter was van het pseudowetenschappelijke, esoterische blad Planète), Simon Vinkenoog en Timothy Leary.

Kousbroek vond die mannen verre van onschuldig. Hun denken was in de ogen van Kousbroek onesthetisch, maar ook totalitair, omdat zij absolute magische wetten formuleerden waaraan iedereen onderhevig was en die iedereen ook moest erkennen. Hij vergeleek dat met het communisme: wie geen communist wilde zijn, keerde zich 'tegen de geschiedenis'.

De hang naar het mystieke vond bij Kousbroek geen genade, maar dat wil niet zeggen dat hij die niet begreep. Na herlezing van De avonden van G.K. van het Reve bekende hij dat er een soort vertwijfeling bestaat die 'bijna aanvaardbaar maakt dat mensen godsdienstig worden'.

Nee, Rudy Kousbroek was geen geharnaste strijder. Daarvoor liet hij zijn gevoel te veel spreken. Uit Een kuil om snikkend in te vallen: 'Kinderen zijn dan ook haast de verpersoonlijking van deze melancholie, omdat zij voortdurend veranderen. Bij ieder stadium van hun leven weet men onherroepelijk: dit gebeurt maar één keer, ik zie ze nooit meer zo.'
Hij observeerde, kreeg daar gewaarwordingen bij, dacht erover na en formuleerde de uitkomst zo helder mogelijk. (JOS BLOEMKOLK)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden