Plus Ten slotte

Robert Frank (1924-2019) was de Manet van de fotografie

Zijn werk was baanbrekend en werd zeker in het begin niet altijd goed begrepen. Met de maandag overleden Robert Frank verloor de wereld een van de grootste fotografen van de twintigste eeuw. 

Passagiers in een bus in New Orleans, een van de foto’s uit The Americans. Beeld Robert Frank / Pace/MacGill Gallery

“Betekenisloze wazigheid, grofkorrelig, modderige afdrukken, dronken horizons en algehele slordigheid.” Dat was het oordeel van vaktijdschrift Popular Photography toen in 1958 het fotoboek The Americans uitkwam.

De maker, Robert Frank, had toen al een paar jaar lopen leuren met zijn werk. Geen Amerikaanse uitgever wilde het hebben, hij moest uitwijken naar Frankrijk om het gedrukt te krijgen.

Ze zullen zich in de jaren daarna herhaaldelijk voor de kop hebben geslagen. Want na de aanvankelijk negatieve reacties groeide The Americans uit tot een belangrijk, misschien wel het belangrijkste fotoboek van de twintigste eeuw. En Frank, die eergisteren op 94-jarige leeftijd is overleden, gaat de geschiedenis in als een van de invloedrijkste fotografen van zijn generatie.

Uit de losse pols

Frank werd geboren in Zwitserland, als tweede zoon in een Joods gezin. Om zich af te zetten tegen het stijve zakenmilieu van zijn ouders wierp hij zich al vroeg op de fotografie. In 1947 emigreerde hij naar New York, waar hij zich in leven hield met commerciële opdrachten voor het magazine Harper’s Bazaar. Zijn talent werd opgemerkt en een paar jaar later kreeg hij een beurs van de Guggenheim Memorial Founda­tion om vrij werk te maken.

Dat geld gebruikte hij om met een versleten Ford door 48 van de 50 Amerikaanse staten te reizen, een roadtrip van ruim 16.000 kilometer. Hij maakte niet minder dan 27.000 foto’s, waarvan er slechts 83 in The Americans werden opgenomen.

Franks foto’s weken af van wat toen gangbaar was: heldere plaatjes met alles scherp in beeld, netjes gekadreerd en goed gecomponeerd. Hij schoot uit de losse pols, soms onscherp en zelden recht. Op sommige plekken nam hij niet eens de moeite om uit de auto te stappen en fotografeerde hij gewoon door de bestofte voorruit. Die nonchalante stijl geeft zijn werk iets impressionistisch, hij is ook wel de Manet van de fotografie genoemd. Frank liep ermee vooruit op de snapshotesthetiek die in de jaren zestig in zwang raakte en nog steeds populair is.

Robert Frank in 1954 Beeld DPA

Maar meer dan de vorm was het de inhoud die The Americans zo revolutionair maakte. Frank fotografeerde non-plekken als verlaten tankstations en lege straten, gewone arbeiders en hangjongeren. En hij toonde de minder mooie kant van Amerika: het antisemitisme en het openlijke racisme in de zuidelijke staten. Niet bepaald hoe Amerika zich wilde zien in de naoorlogse jaren, een periode van opgepoetst optimisme en kaakverkrampend conformisme. De vernietigende recensie van Popular Photography concentreert zich dan wel op de vorm maar zal vermoedelijk voor een deel zijn ingegeven door het confronterende beeld dat Frank schetste van het land.

Zelf was en bleef hij de grommende, argwanende emigrant die juist door zijn positie als outsider onbevangen naar zijn omgeving weet te kijken. Zo komt hij ook naar voren in de documentaire Don’t Blink van Laura Israel, die vier jaar geleden te zien was tijdens Idfa.

Ook films van Franks hand zijn regelmatig te zien geweest op het documentairefilmfestival. Want na The Americans ging hij zich in toenemende mate toeleggen op bewegend beeld, met dezelfde compromisloze houding. Zijn eerste korte film Pull My Daisy (1959) is een geïmproviseerd portret van de beatgeneratie met Jack Kerouac, auteur van beatklassieker On the Road en schrijver van het voorwoord bij The Americans, als verteller. Zes jaar later maakte hij zijn speelfilmdebuut Me and My Brother, waarin hij een man en zijn schizofrene broer volgt en vragen stelt over wat nou eigenlijk normaal gedrag is.

Geen gelikte reportage

Frank regisseerde hierna nog tientallen films, vooral korte, maar het meest tot de verbeelding spreekt Cocksucker Blues uit 1972. Nadat hij de albumcover van Exile on Mainstreet had geschoten nodigden de Rolling Stones de filmmaker uit hun tournee vast te leggen. Dat leverde geen gelikte rapportage op, maar een rauwe opeenvolging van drugsmisbruik, knetterende ruzies, groepsseks en geweld. Mick Jaggers reactie nadat hij het eindresultaat had gezien: “Het is een fucking goede film, Robert, maar als hij in Amerika wordt vertoond laten ze ons nooit meer het land in.”

Er kwam een rechtszaak en de Stones wisten een regeling te treffen. De film mocht niet meer dan vijf keer per jaar worden vertoond , en alleen in de aanwezigheid van Frank. Met het overlijden van de maker zal Cocksucker Blues nu waarschijnlijk voorgoed in de safe verdwijnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden