Plus Achtergrond

Rob van Koningsbruggens doeken hebben de kracht van een rechtse directe

Lang was het stil rond Rob van Koningsbruggen. 17 jaar na zijn laatste grote expositie is hij terug met pure schilderkunst, met de kracht van een rechtse directe.

Unitled, 2017, olieverf op doek (110x80 cm), te zien in het Kunstmuseum in Den Haag. foto kunstmuseum Beeld Gemeentemuseum Den Haag

Rob van Koningsbruggen is een van de reuzen van de naoorlogse Nederlandse schilderkunst. In de lyrische abstractie staat hij zelfs op eenzame hoogte. Als hij niet in Nederland

was geboren en gebleven, zou de nu 71-jarige waarschijnlijk een internationale sterrenstatus genieten vergelijkbaar met Günther Förg, Cy Twombly of Bernard Frize. Maar Van Koningsbruggen moet het doen met ‘wereld­beroemd in Nederland’.

In 1975 betrad hij het publieke podium door deelname aan Fundamentele Schilderkunst in het Stedelijk. Sindsdien had hij ruwweg om de tien jaar een grote museale solotentoonstelling. Maar in 2003 kwam daar de klad in. Dat lag deels aan de kunstenaar zelf, die zijn weerzin tegen de wereld in het algemeen en de kunst­wereld in het bijzonder op vaak pertinente wijze etaleert. Zo stak hij in 2007 een projectbureau in brand en legde het Stedelijk hem vijf jaar later een toegangsverbod op nadat hij per mail had gedreigd het werk van Marlene Dumas onder te pissen.

Zet de ogen wijd open

Die recalcitrante houding spreekt ook uit de interviews in de catalogus bij Paintings 2003-2019, de huidige tentoonstelling in Kunstmuseum Den Haag, die net op het nippertje de ‘één solo per decennium’-traditie in stand houdt. Van Koningsbruggen noemt musea ‘meubelboulevards’ en collega-kunstenaars ‘hoeren’. Verder komen veelvuldig woorden als ‘ballenbak’, ‘ludiek’, ‘burgerlijk’ en ‘gelul’ voor.

Het is het gebrom van mannen uit de babyboomgeneratie en je hebt het – de inspanningen van interviewend museumdirecteur Benno Tempel ten spijt – niet nodig om Van Koningsbruggens werk te bekijken. Daar heb je helemaal geen enkele tekst voor nodig, want dit is formele schilderkunst. Die kan zonder ‘de maker achter het werk’ of welk verhaal dan ook. Die stelt niets voor en gaat enkel over zichzelf: het schilderen. Meer dan een poging tot psychologiseren past hierbij een fuchsiaanse close reading van de werken zelf. Advies aan bezoekers: zet de ogen wijd open, het visuele sponsvermogen op tien en neem de tijd, veel tijd.

Wie niet bekend is met het werk van Van Koningsbruggen, kan door het openingswerk van Paintings 2003-2019 op het verkeerde been worden gezet: een waaier van niervormige blobs in diverse tinten op een rechthoekig doek waarvan de bovenste helft geel en de onderste rood is. De dageraad die zijn dikke vingers over het landschap legt, er is zelfs een wolkje in te zien. Het is een uitnodigend en licht beeld, bijna gezellig, dat je met naïeve vrolijkheid de eerste zaal in doet huppelen. Daar, en in de zalen daarop, krijg je vervolgens genadeloos op je flikker.

Alles schuurt, duwt en trekt. De niervormen lossen op, lopen leeg, worden bollen en ­vegen. Het naar houvast hunkerende oog ziet een citroen in een geel ovaal, maar een scherpe groen-rode krul zuigt het veronderstelde fruit leeg en een borende, lichtblauwe wervelwind slaat de hoop op een fruitschaal aan diggelen. Het doek verderop doet denken aan de schietdoelen van Jasper Johns, maar bij nadere bestudering schrapen geel, wit en groen de cirkel uit tot kom, terwijl het blauw juist een bol suggereert.

Aan de grond vastgeschroefd

De cirkel is een van de basisvormen die telkens terugkeren, net als de kegel, de niervorm en het takkenmotief. Eerder dan Gerhard Richter – ‘de dief!’ – maakte Van Koningsbruggen ‘schuifschilderijen’ door met verf ingesmeerde doeken langs elkaar te wrijven. En ook die techniek past hij nog steeds toe. Nieuw zijn de vormen die ontstaan door verf aan de bovenkant van het doek uit de tube te knijpen om die dan met een brede kwast in halve cirkels te vegen. Dat gebeurt met zoveel kracht dat de ezel ervoor aan de grond moet worden vastgeschroefd.

Constante in de tentoonstelling is Van Koningsbruggens feilloze gevoel voor kleuren die hij door elkaar mengt en tegen elkaar afzet. Het resultaat is een turbulente vorm van balans. En ja, dat ziet er even ongemakkelijk en onlogisch uit als dat het klinkt. Deze schilderijen, die steevast Zonder titel heten, onttrekken zich aan cere­brale analyse, maar zijn ook geen gevoelskunst. Ze dwingen je om alleen te kijken en te bedenken wat je ziet. Geen voorstelling, zelfs geen verf maar: lik, lik, draai, draai, streep, streep, streeeeeep. Als een klankgedicht van Paul van Ostaijen in pigment, een choreografie in kleur. En het mooie is dat het nergens routine wordt. Je ziet aan de doeken dat ook de maker zich elk keer weer heeft laten verrassen door dat waar hij zo hard naar op zoek was.

Om al die extreem sterke, uitgesproken schilderijen goed op te hangen moet een hels karwei zijn geweest – voor je het weet vechten ze elkaar de tent uit – maar dit is Benno Tempel bijzonder goed gelukt. De werken hangen zo dat ze je verleiden om telkens opzij, vooruit en achteruit te kijken. Met op het einde de absolute uitsmijter van de tentoonstelling: een wervelwind van zwarte vegen en een vuilbruine taartpunt op een roze-lichtblauw tweeluik waar een groene komma, een beroete gele ovaal en een onderliggend wit spookbeeld de kijker een rechtse directe uitdelen. Maar als je bekomen bent, krabbel je graag weer op voor nog een rondje.

Rob van Koningsbruggen: Paintings 2003-2019. T/m 23 februari in Kunstmuseum Den Haag

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden