PlusAchtergrond

Retrospectief Steve McQueen in Tate Modern: ongrijpbaar en ijzersterk

Voordat Steve McQueen een Oscarwinnend speelfilmregisseur werd, was hij al beeldend kunstenaar. Tate Modern in Londen wijdt een retrospectief aan zijn ongrijpbare, ijzersterke films.

Het werk van Steve McQueen in Tate Modern beperkt zich tot de afgelopen twee decennia.Beeld Steve McQueen. Courtesy the artist, Thomas Dane Gallery and Marian Goodman Gallery. Photo: Luke Walker

Het is moeilijk uitleggen waarom het werk van Steve McQueen zo goed is. Zelfs beschrijven waar zijn korte films over gaan, valt niet mee. Maar als je de zalen in Tate Modern betreedt, waar nu zijn retrospectief te zien is, door de geluidskluwen van veertien werken zwemt en een voor een inzoomt, weet je: dit is ongelooflijk goed.

McQueens beelden hebben een zuigende kwaliteit die onontkoombaar is. Ze zijn eenvoudig en zelfs onooglijk, het tegenovergestelde van spectaculair. McQueen is geen mooifilmer. Zijn shots zijn vaak gruizig, zeker als ze in het donker zijn gedraaid. Het is niet altijd duidelijk wat er gebeurt. En toch blijf je kijken, terwijl er hoegenaamd geen actie plaatsvindt. In de traditionele zin van het woord dan, want McQueen heeft de gave om dingen te tonen die je niet ziet.

Zoals in 7th Nov. (2001). In dit werk vertelt een zekere Marcus hoe hij op die dag zijn jongere broer John per ongeluk door het hoofd schoot met een pistool. Het is een uitgesponnen verhaal vol details en herhalingen, een emotionele uithaal, schuldbewustzijn en toch ook een poging er iets positiefs uit te halen. Gedurende de 23 minuten dat Marcus aan het woord is, kijk je naar één stilstaand beeld. Het is een man, op zijn rug, alsof hij in het mortuarium ligt. Dwars over zijn kaalgeschoren schedel loopt een groot litteken.

Tv-beelden op huid

Wie de tentoonstellingsfolder leest, weet dat dit Marcus zelf is. Voor het litteken wordt geen verklaring gegeven, ‘want dat is een ander verhaal’. Maar het doet wel denken. Zou Marcus een soortgelijk ongeluk hebben meegemaakt en overleefd? Of neemt hij hier symbolisch de plaats in van zijn geliefde broertje, bij wijze van boetedoening? 7th Nov. roept vragen op, en tegenstrijdige gevoelens. Ergens voel je sympathie voor de worstelende Marcus. Maar er is ook ergernis. Vooral over de manier waarop hij deze tragedie uiteindelijk over hem laat gaan, zichzelf tot middelpunt maakt.

Marcus is niet iemand die McQueen heeft opgespoord aan de hand van een krantenbericht. Het is zijn neef. En dat brengt alles in één klap een stuk dichterbij, veel lastiger om koeltjes een moreel oordeel over te vellen. Die persoonlijke aanwezigheid van de maker is een rode draad in McQueens oeuvre. Niet zelden speelt hij zelf de hoofdrol in zijn films. Zoals Illuminer (2001), waarin we de filmmaker op bed in een donkere hotelkamer zien liggen. McQueens naakte huid absorbeert de flikkerende tv-beelden van Amerikaanse troepen tijdens training voor Afghanistan. De contouren van zijn lichaam zijn vaag, alleen de wijzerplaat van zijn horloge licht op, als de maan boven een nachtelijk landschap. We kijken hier naar Steve McQueen de filmmaker, de kritisch ontleder van beeldcultuur, maar ook naar het lichaam van Steve McQueen, een zwart lijf waar van alles op geprojecteerd wordt, niet in de laatste plaats door ons, kijkers.

7th Nov. Beeld Steve McQueen

Dat ras en racisme een belangrijk thema zijn, onderstreepte McQueen zeven jaar geleden met de Oscarwinnende speelfilm 12 Years a Slave. Maar in zijn kunstfilms is de toon genuanceerder, meer ambigu ook. Het gaat veeleer om lichamelijkheid. In zijn allereerste film, Bear (1993), is hij een van twee zwarte worstelaars die afwisselend flirten en vechten. In Deadpan (1997) speelt hij een fameuze stunt van stomme filmheld Buster Keaton na: de gevel van een huis valt op hem, maar hij staat precies op de plek waar een open raam neerkomt en geeft geen kik.

Onrust en angst vangen

Deze vroege films zijn overigens niet te zien in Tate Modern, dat zich beperkt tot de afgelopen twee decennia. De meer recente werken zijn vaker in kleur en gedraaid met meerdere camera’s. Het resultaat blijft uitgebeend beeld. McQueen focust op schijnbare details, bijt zich erin vast en dwingt ons ernaar te kijken totdat ze het visuele haakje blijken te zijn van iets groters, iets onzichtbaars dat niet op het scherm maar in het hoofd oplicht.

Zo maakt het donkere gerommel in een kilometers diepe goudmijn in Western Deep (2002) invoelbaar wat het is om te werken om te overleven, onder levensgevaarlijke en onmenselijke omstandigheden. En weinig kunstwerken weten de onrust en angst die ontstonden na nine eleven zo goed te vangen als Static (2009). Vanuit een helikopter filmt McQueen het vrijheidsbeeld, vlak nadat het voor het eerst weer is vrijgegeven voor bezoekers. Lady Liberty oogt versleten. De waarde die zij symboliseert is grotendeels aangetast door beveiligingsmaatregelen en bewakingscamera’s vergelijkbaar met het oog dat haar in deze film omcirkelt en gevangenhoudt.

De beste samenvatting van McQueens artistieke visie is waarschijnlijk Charlotte (2004). We zien het oog van actrice Charlotte Rampling. McQueens vinger komt in beeld, wijst naar het oog, raakt het bijna aan. Het oog stelt telkens opnieuw scherp, net als de camera. Charlotte gaat, net als McQueens hele oeuvre, over kijken. Of zoals de kunstenaar zelf zegt: “Het gaat erom niet te knipperen.”

Steve McQueen, t/m 11 mei in Tate Modern, Londen.

Beeld uit korte film Static.Beeld Steve McQueen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden