PlusAlbumrecensie

Renée Flemming en Yannick Nézet-Séguin schetsen een doembeeld met schitterende liederen

Erik Voermans

Net als de meeste andere mensen maakte de Amerikaanse stersopraan Renée Fleming zich tijdens de eerste golven van de covidpandemie grote zorgen over de gezondheid van haar naasten en van zichzelf. Haar concertpraktijk was net als bij haar collega’s geheel uitgedoofd en de prangende vraag was of alles ooit weer zou worden als voorheen. (Antwoord: neen.) Het enige gunstige was in haar geval dat ze zich geen zorgen hoefde te maken of ze zonder inkomsten wel rond kon komen.

Ze zocht troost in lange wandelingen in de bossen van Virginia, de staat waar ze woont. Die omgeving was haar zeer vertrouwd vanuit haar jeugd in de omgeving van Rochester, New York, waar ze opgroeide te midden van het boerenland. De wandelingen gaven haar de inspiratie voor haar nieuwe album, dat ze samen met dirigent Yannick Nézet-Séguin in de rol van begeleidend pianist in mei van dit jaar opnam in de Verizon Hall van het Kimmel Center in Philadelphia. Beiden stelden zich de vraag hoe het verder moet met de wereld als de invloed van de mens duidelijk zo nadelig is voor de natuur en dus uiteindelijk voor het leven.

Geen vrolijk album

Even goed staan ze breed lachend op de coverfoto van het album, dat Voice of Nature: The Anthropocene heet. Het antropoceen is het geologische tijdvak dat volgt op het holoceen, waarin we nu leven, en dat wordt gekenmerkt door de gevolgen voor de habitat door menselijk handelen. De term heeft in de geologie overigens nog geen officiële status.

Het zal niet verbazen dat Voice of Nature geen vrolijk album is geworden. De Amerikaanse componist Kevin Puts zet in het eerste lied, Evening, de toon. ‘We know that we are doomed, done for, damned’ horen we Fleming zingen, een tekst van dichteres Dorianne Laux. Mooie muziek, dat wel, volkomen tonaal, zonder scherpe randjes, die in het licht van de reusachtige crises die zangeres, pianist en dichteres aankondigen misschien wel iets escapistisch heeft.

Fleming en Nézet-Séguin selecteerden schitterende liederen, zo veel is zeker, van Fauré, Reynaldo Hahn, Liszt, Grieg en van Puts, Nico Muhly en Caroline Shaw, drie jonge, nog levende componisten.

Fleming bezingt de natuur, de vogels en de bloemen, de maan, de sterrenhemel, het noorderlicht en hoewel Liszt in Über alle Gipfeln ist Ruh’ een ‘heden ik, morgen gij’-vinger opsteekt, komt het werkelijke pessimisme van de jeugd (Muhly en Puts).

Dunner wordende stem

Nézet-Séguin toont zich als pianist minder vaardig dan als dirigent. Meteen al snelle arpeggio’s in het eerste lied zijn onevenwichtig, maar hij compenseert dat met visie en invoelend vermogen. En bij Fleming moet worden vastgesteld dat de stem soms wat dunner wordt en haar vibrato soms wat flakkerender, maar de kleur, het romige timbre en de fabelachtige technische beheersing zijn er op haar 62ste nog altijd. Luister bijvoorbeeld eens naar het lang aangehouden woord light in Puts’ Evening en huiver. Ook gebleven: de onverstaanbaarheid van haar Frans en Duits. Gelukkig is er altijd nog het tekstboekje.

Klassiek

Fleming, Nézet Séguin
Voice of Nature: The Anthropocene
(Decca)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden