PlusVoorpublicatie

Remi, de hartverscheurende lotgevallen van twee Joodse broers

Flory Gezang-Goudeket met Koentje in de zomer van 1942. Beiden worden in 1943 in Sobibor vermoord.

Dinsdag verschijnt Remi, van journalist Frank van Kolfschooten, over de hartverscheurende lotgevallen van twee Joodse broers. Remi (Koen) werd in de oorlog te vondeling gelegd – zijn oudere, onwetende broer Eddy bleef hem tot 2002 zoeken. Een voorpublicatie.

Op zondag 30 augustus 1942 vindt er familieberaad plaats bij opa en oma Goudeket aan de Nicolaas Witsenkade 5. Eddy’s ouders Maurits en Flory zijn erbij, evenals zijn tantes Lenie en Peggy, en vrienden van zijn ouders, Wim en Annie Smit. Ze gaan met z’n achten bij elkaar zitten in de glazen serre aan de achterkant van het huis. Eddy mag er niet bij zitten, maar heeft vanuit een fauteuil in de bibliotheek zicht op het gezelschap en kan ook veel horen van wat ze zeggen, al begrijpt hij soms niet waar het over gaat. 

Ze hebben net een mislukte vluchtpoging vanuit hun woonplaats Kijkduin naar Zwitserland achter de rug, en tante Peggy is boos op zijn vader en vindt dat die onverantwoorde risico’s heeft genomen met zijn gezin. Eddy krijgt medelijden met zijn vader. Zijn moeder zit er stilletjes bij met baby Koentje in haar armen en begint zachtjes te huilen.

Eddy hoort tante Peggy zeggen dat zij Koentje zal meenemen en voor hem zal zorgen. Zij heeft minder gevaar te vrezen omdat zij met een niet-Joodse man is getrouwd. Na het beraad komt Wim Smit naar Eddy toe in de bibliotheek en zegt dat hij met hem mee moet gaan. Eddy weet niet wat hij daarvan moet denken. Hij probeert de blik te vangen van opa Jacques, maar die kijkt de andere kant op. Zijn moeder is nog steeds in tranen, maar zijn vader knikt hem bemoedigend toe. Zonder verder afscheid te nemen loopt Eddy met tegenzin met Wim Smit mee naar buiten. Hij moet achter op de bagagedrager gaan zitten, en zwijgend fietst Wim naar het politiebureau aan de Overtoom.

Voor de deur maant hij Eddy binnen zijn mond te houden. Wim Smit vertelt de dienstdoende politieagent dat hij een verlaten Joods jongetje bij zich heeft, dat gisteren in Leiden door zijn vader op de trein naar Amsterdam is gezet, en dat hij niet weet wat hij met hem aanmoet. Nadat Smit Eddy’s naam, geboortedatum en zijn woonadres in Kijkduin heeft gegeven, belt de agent naar de Kijkduinse politie. Die meldt dat het gezin Gezang het huis op 14 augustus 1942 heeft verlaten en sindsdien spoorloos is. De Haagse politie heeft het huis intussen verzegeld.

Eddy Gezang (1930-2014) overleeft de oorlog, deels alleen, deels met zijn vader in Frankrijk.Beeld Uit Remi

Na overleg met collega’s zegt de agent dat Eddy onderdak kan krijgen in het Burgerweeshuis aan de Kalverstraat. Begeleid door een agent fietst Wim Smit, weer met Eddy achterop, over de grachten naar de Kalverstraat. Ze komen binnen in een grote kale hal en nemen de trap naar boven naar de administratie. Daar vertelt een man hun dat het Burgerweeshuis geen veilige plek is voor een Joods kind en dat ze beter zo snel mogelijk weer kunnen vertrekken. Hij geeft Wim Smit een adres van een familie in de Rijnstraat die Eddy voor een kleine vergoeding wel kan opnemen.

 Ze fietsen naar de Rijnstraat, waar een vrouw de deur opendoet. Na een kort gesprek dat Eddy niet kan horen, vertrekt Wim Smit. De vrouw brengt Eddy naar een kamer waar al vier jongens in bedden liggen en zegt dat hij meteen moet gaan slapen. De volgende dagen brengt Eddy door in een waas. Zijn maag is van slag door alle spanningen en hij zit voortdurend op de wc vanwege diarree. De vier andere jongens zijn orthodox-joods. Ze dragen een keppeltje en hebben een davidster op hun kleren. Eddy voelt zich slecht op zijn gemak en mist zijn familie. In de namiddag van de vierde dag komt zijn tante Lenie ineens binnen. Eddy huilt van blijdschap. Lenie omhelst en troost hem en belooft snel terug te komen om hem naar een betere plek te brengen.

De volgende dag al komt zijn vader hem ophalen. Ze gaan naar opa en oma Gezang in de Watteaustraat 25 in Amsterdam-Zuid. Eddy moet hier blijven tot ze een veiliger adres hebben gevonden, zegt Maurits onderweg. Waar hij en ­Eddy’s moeder verblijven, vertelt Maurits niet.

Opa Gezang heeft in het begin weinig geduld met Eddy. De jongen denkt dat zijn opa hem liever uit de weg gaat, want hij zegt vrijwel niets tegen hem, ook niet bij de gezamenlijke maaltijden. Toch wordt hun verstandhouding langzaam beter en hij merkt dat zijn opa het leuk begint te vinden om hem mee te nemen. Op zondagmiddag toont hij Eddy trots aan vrienden en kennissen die hij ontmoet bij lunchroom Delicia in de Beethovenstraat, een van de weinige horecagelegenheden waar na juli 1942 nog Joden mogen komen. Hij verwent hem met limonade en taartjes.

Opa en oma Gezang. Ze worden in 1943 in Sobibor vermoord. Beeld Uit Remi

Oma Gezang is van meet af aan lief tegen Eddy. Ze koopt speciaal voor hem tegen extra betaling lekkere dingen in de Beethovenstraat of op de Joodse markt op het Minervaplein. Dat mag hij niet aan opa vertellen, want die staat op dieet vanwege zijn suikerziekte. Door hem zo in vertrouwen te nemen begint Eddy zich echt thuis te voelen. Zijn grootouders vinden dat hij gewoon naar school moet blijven gaan. Ze sturen hem naar de Joodse school nr 13 in de Jan van Eijckstraat 21, een zijstraat van de Beethovenstraat. De davidster moet weer op zijn kleding en net als in Kijkduin voelt Eddy zich bekeken als hij via de Sta­dionweg en de Minervalaan naar school wandelt. Eddy komt in een overvolle zesde klas met alleen jongens, deels van orthodoxe huize. Een klein groepje onhandelbare kinderen terroriseert de onderwijzer, die geen grip op de klas heeft. Eddy krijgt het idee dat hij niets leert en net zo goed thuis kan blijven.

De oproepen voor Joodse families om zich te melden voor Duitse werk­kampen blijven komen. Steeds meer Joden proberen onder te duiken. Opa en oma Gezang vertellen Eddy dat ze al hun kinderen hebben aangeraden om een ­veilig adres te zoeken. Zelf zijn ze dat niet van plan, omdat ze denken dat de Duitsers hen te oud zullen vinden voor de werkkampen. In de laatste week van september 1942 wordt er ’s avonds aangebeld in de Watteaustraat. Eddy’s vader en moeder staan voor de deur. Hij is uitzinnig van vreugde en drukt zich dicht tegen zijn moeder aan. Zijn oma stopt al zijn kleren in zijn rugzak, en gedrieën vertrekken ze. Eddy’s opgewektheid is snel verdwenen als zijn ouders hem vertellen dat hij niet bij hen kan blijven. Hij zal eerst een paar dagen logeren op een tijdelijk adres voordat hij onderdak krijgt in een Haarlems gezin. Ze komen bij een groot huis aan een kanaal, bereikbaar via een bruggetje. Er blijken nog een paar kinderen te wonen. Hij wordt in bed gelegd en zijn moeder blijft nog een tijdje op de rand bij hem zitten. Ze geeft hem een nachtkus, legt haar hand op zijn voorhoofd, kijkt hem lang aan en zegt dat hij flink moet zijn nu. Dan laat ze hem alleen achter.

Frank van Kolfschooten, Remi – De oorlogsgeschiedenis van twee broers. Met foto’s, €21,50, uitgeverij De Kring. Remi verschijnt op 21 april.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden