Plus

Regisseur Het Pauperparadijs: 'Over armoede denken we nog steeds: eigen schuld'

In de 19de eeuw werden arme mensen naar koloniën gestuurd. Er is weinig veranderd, zegt Tom de Ket (59), regisseur van Het Pauperparadijs, dat nu in Carré te zien is.

Regisseur Tom de Ket: 'In Veenhuizen zag ik mensen geëmotioneerd van de tribune komen.'Beeld Renate Beense

Als kind fietste regisseur en theatermaker Tom de Ket vaak met zijn ouders langs het veenontginningsdorp Veenhuizen in Drenthe, vlak bij zijn geboorteplaats Assen. Mooi tochtje. Geen idee wat zich daar had afgespeeld. Ja, het was een gevangenisdorp, het was afgesloten, niemand mocht er zomaar in.

Maar dat het dorp in de negentiende eeuw dienst had gedaan als heropvoedingsgesticht voor tienduizenden paupers uit het westen van het land?

"De grootste doofpotaffaire van Nederland," zegt De Ket.

Natuurlijk, wie ernaar zocht, kon er best het een en ander over vinden. Maar bij het grote publiek is het drama van bedelaarskolonie Veenhuizen pas bekend geworden sinds Suzanna Jansen haar familiegeschiedenis optekende in Het pauperparadijs.

De Ket kreeg het boek in handen ­gedrukt door zijn vrouw en maakte er met Jansen een theatervoorstelling van, ­gebaseerd op het levensverhaal van Cato Braxhoofden (1814-1880) en haar man Teunis Gijben (1812-1856). Na twee succesvolle seizoenen op de binnenplaats van het ­gevangenismuseum in Veenhuizen, is het stuk nu te zien in Amsterdam. Woensdag is de première in Carré.

Menselijk falen
Dat wordt nog spannend: van een podium ter grootte van een voetbalveld naar een van postzegelformaat. De Ket: "Je moet heel anders gaan denken. We hebben er een andere vormgeving op losgelaten met een bijzondere techniek: video mapping, het projecteren van beelden op objecten. In ons geval: op verrijdbare objecten. Ze zijn er al maanden voor aan het programmeren. Er is al een proef geweest in Carré. Het wordt spectaculair. Als maar de helft lukt, is het al goed."

Beeld Renate Beense

Het pauperparadijs, zegt De Ket, is een verhaal over schaamte, over menselijk falen in een tijd dat het alleen nog maar over succes lijkt te mogen gaan. "Dat raakt mensen en het biedt ook troost. In Veenhuizen zag ik mensen geëmotioneerd van de tribune komen. Vergeet niet: dit is waar we vrijwel allemaal vandaan komen. Onze voorouders waren paupers, slechts een klein deel van de bevolking behoorde tot de gegoede burgerij."

In een studio op een bedrijventerrein in Almere oefent De Ket met zijn gezelschap op de nieuwe versie van Het pauperparadijs. Het is de eerste doorloop. Er klinkt ­gelach, er wordt gedanst en er wordt muziek gemaakt. Af en toe is iemand zijn tekst kwijt. De hele voorstelling is op de schop gegaan.

Veerkracht
Voor de ogen van De Ket speelt een sleutelscène, waarin de zwangere Cato probeert de zegen van haar vader te krijgen voor een huwelijk met de katholieke Amsterdamse wees Teunis. Een onmogelijke liefde: Cato, dochter van een Nederlands-hervormde bewaker zal erdoor onvermijdelijk in de pauperstand vervallen. Teunis sterft, geknakt door het systeem, uiteindelijk in Veenhuizen. Cato weet alsnog met haar kinderen uit de kolonie te ontsnappen.

De Ket: "Het is die veerkracht die veel vrouwen aanspreekt. Er zit in het stuk ook een emancipatiegedachte: een sterke vrouw die opkomt tegen misstand. Een vrouw die het lukt om het heft in handen te nemen, terwijl die mannen allemaal ziek, zwak en misselijk in een hoek ­liggen."

Grotere rol voor Amsterdam
De regisseur, liefhebber van maatschappelijk betrokken theater, ziet er tevreden uit. Hij is er trots op dat zijn voorstelling nu in Amsterdam te zien is, waar zich ook een groot deel van het verhaal afspeelt. Teunis kwam uit het Aalmoezeniershuis, het weeshuis van Amsterdam aan de Prinsengracht, waar later het paleis van justitie kwam en nu, het cynisme ten top, een vijfsterrenhotel verrijst. Op de plek van Carré stond de tuchthuismolen, waar het ­geraspte hout uit het tuchthuis voor kruimeldieven werd verwerkt tot verfmengsel.

De stad krijgt in het stuk een grotere rol. In het laatste deel van de voorstelling komt Cato terug naar Amsterdam. "Het is een bizar toeval," zegt De Ket enthousiast. "Maar wij zijn erachter gekomen dat zij vlak bij het theater is ­gestorven: in een kelderwoning in de Balk in 't Oogsteeg, een straatje dat uitkomt op de Amstel."

Beeld Renate Beense

Als de mensen straks Carré verlaten, kunnen ze er zo naartoe lopen. Tegenwoordig staat er de spoelkeuken van het Golden Tulip Hotel aan het Rembrandtplein, waar, ­zoals Suzanna Jansen in haar boek schrijft, 'de overlevers van deze tijd borden staan te wassen'.

"De mensen hebben het allemaal weggestopt. Het stuk eindigen we op de begraafplaats in Veenhuizen, destijds wel het vierde gesticht genoemd. Daar lagen mensen in anonieme graven, want de nabestaanden wilden niet dat ze besmet werden met het stigma dat ze uit die pauperkolonie kwamen."

Eigen schuld, dikke bult
Is het nu anders? Fel: "We doen wel alsof we humaner ­omgaan met armoede, maar nog steeds vinden we wat ze in de negentiende eeuw ook vonden: eigen schuld, dikke bult. In plaats van dat wij mensen helpen, zeggen we dat ze moeten oplazeren. Of we vinden dat ze hoognodig heropgevoed moeten worden. Dat is altijd de eerste impuls. ­Ongelooflijk paternalistisch."

Hij verwijst graag naar Klaas Dijkhoff, de fractievoorzitter van de VVD. "Die wil van de bijstand weer een aalmoes maken. Je krijgt het alleen als je je stinkende best doet en laat zien dat je braaf bent. Veenhuizen is een geschiedenis waar we kennelijk nog steeds niet van willen leren."

Generaal Johannes van den Bosch, stichter van de bedelaarskolonie, mag zich er in de voorstelling in hoogsteigen persoon over uitlaten. "Ik ben anders over hem gaan denken," zegt De Ket. "Ik vond hem een opportunistische praalhans, maar toen ik me eenmaal in hem ging verdiepen, dacht ik: hij heeft het hart op de goede plaats. Hij was een idealist, wilde armoede voor altijd uitroeien en vond dat iedereen recht had op onderwijs. Het probleem was: toen het moeilijk werd, was het welslagen van zijn project opeens belangrijker dan de gedachte erachter. Hij wilde van geen kritiek weten en werd verblind door ambitie."

Fascinerend, zegt hij: "Mensen die met de beste bedoelingen iets op touw zetten en hun idealen uiteindelijk in hun tegendeel zien eindigen."

Beeld Renate Beense

Heropvoeding
Na de Napoleontische oorlogen en de Franse overheersing (1795-1813) heerste in Nederland grote armoede. Generaal Johannes van den Bosch (1780-1844), goede vriend van koning Willem I en de latere gouverneur-­generaal van Nederlands-Indië, kwam met een revolutionaire oplossing: ­verhuis de paupers uit het westen van het land naar het braakliggende Drenthe. Daar zouden zij worden ­heropgevoed en kregen ze de mogelijkheid om in hun eigen onderhoud te voorzien. Tucht, discipline en werk én onderwijs voor de kinderen.

In 1819 richtte Van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op om zijn project mee te bekostigen. De eerste (vrijwillige) koloniën die hij stichtte zijn nog altijd te zien en te ­bezoeken: Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.

Erg vlotten wilde het project niet en al snel kwam er dwang aan te pas. De kolonie Veenhuizen, die uit drie ­'gestichten' bestond, was een strafkolonie voor bedelaars, landlopers, dronkenlappen, dieven en anderen die zich volgens de Maatschappij van Weldadigheid niet goed hadden ­gedragen. Mensonterende omstandigheden: er was honger, er heersten ziektes en de (kinder)sterfte was groot.

Ook alle wezen moesten erheen. Zo werd in 1826 in het holst van de nacht het Aalmoezeniershuis, het weeshuis van ­Amsterdam, ontruimd. Veel van de kinderen die er zaten hadden nog ­gewoon ouders, maar die waren te arm om voor ze te zorgen. Het uitbreken van een volksopstand kon het tij niet meer keren.

Later, toen bleek dat de koloniën niet meer waren te betalen, werd Veenhuizen een gevangenis onder rijks­toezicht.

Uit de mottenballen
Speciaal voor de voorstelling Het pauperparadijs heeft Het Rijksmuseum het portret van Johannes van den Bosch, in 1829 geschilderd door Cornelis Kruseman, uit de mottenballen gehaald. Het schilderij is een van de hoogtepunten in een rondleiding door het museum onder leiding van ­Suzanna Jansen, auteur van het gelijknamige boek. De rondleiding is van 10 juli tot en met 3 augustus op dinsdag en op vrijdag (behalve op 27 juli) en is te boeken via rijksmuseum.nl.

Voor Paroollezers is er op zondag 22 juli, na de matinee, een stadswandeling met Jansen. U kunt via parool.nl/meer een kaartje kopen voor de voorstelling, inclusief kleine lunch en de wandeling. Er zijn twintig plekken te vergeven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden