Recensie Clézio: De Afrikaan

De Afrikaan. Vertaald door Maria Noordman;
De Geus, Euro14,90

Monument voor een vader
Reizen en het verkennen van andere culturen lopen als een rode draad door het werk van de Franse schrijver Jean-Marie Gustave Le Clézio (1940). Die avontuurlijke inslag heeft hij van geen vreemde. Aan het eind van de achttiende eeuw emigreerde één van zijn voorvaderen naar Ile de France, het latere Mauritius, om op dat eiland in de Indische Oceaan zijn eigen Utopia, een soort Walden avant la lettre, te creëren. De vader van de schrijver, geboren op Mauritius, besloot na de onteigening van het familielandgoed (anno 1919) tot een nieuw overzees avontuur. Na een medicijnenstudie in Engeland en een tweejarige artsenpraktijk in Brits Guyana vertrok hij in 1928 naar Afrika, waar hij bijna 25 jaar in afgelegen gebieden in Kameroen en Nigeria in zijn eentje een medische post beheerde.


In De Afrikaan richt Le Clézio een klein postuum monument op voor die vader, met wie hij pas op zijn achtste voor het eerst kennismaakte, toen hij met zijn moeder en zijn broer vanuit Zuid-Frankrijk naar Afrika reisde. Daar treft hij een man aan die gesloopt is na twintig jaar strijd tegen tropische ziekten en verbitterd door de eenzaamheid tijdens de oorlogsjaren die hem geïsoleerd hadden van zijn gezin. ''Kwam het door de oorlog, die eindeloze tijd zonder enig contact, dat mijn vader de pessimistische, lichtgeraakte, autoritaire man was geworden voor wie we al snel bang waren, in plaats van dat we van hem hielden? Kwam het door Afrika? En welk Afrika dan? ''
Met die vragen en geïnspireerd door de zwartwitfoto's van zijn vader zette Le Clézio zich vele jaren later (2003-2004) aan een reconstructie van diens leven.

Ronduit lyrisch beschrijft hij het aanvankelijke geluk van zijn ouders in de ongerepte, nauwelijks door de Europese kolonisatie aangeraakte hooglanden van Kameroen. ' Mijn vader en moeder ervaren er een vrijheid die ze nergens anders hebben gekend,' schrijft hij. Illustratief is de evocatie van een dorpsfeest dat van zonsondergang tot de volgende ochtend duurt: ' Mijn vader en moeder liggen op hun veldbed, onder het muskietennet, ze luisteren naar het tromgeroffel, volgens een constant ritme met nauwelijks uitschieters, als een hart op volle toeren. Ze zijn verliefd. Het wilde en tegelijk zo menselijke Afrika is hun huwelijksnacht. De hele dag heeft de zon op hun lichaam gebrand, ze zijn vervuld van een weergaloze elektrische kracht.'

De oorlog (in Europa) markeert een breekpunt in dit geluk. Eind jaren dertig keren de ouders terug naar Europa voor de bevalling van hun eerste kind, maar als de schrijver geboren wordt, is de oorlog inmiddels uitgebroken en zit de vader al weer in Afrika. Zijn poging om zijn gezin naar het veilige Afrika over te brengen mislukt jammerlijk. In diezelfde tijd krijgt hij een nieuwe standplaats, in Nigeria, waar ' de zachtmoedigheid en de humor van de Afrikanen' worden overwoekerd door geweld en corruptie. Op zijn achtste treft Le Clézio een gedesillusioneerde, in zichzelf gekeerde, vreemde man aan.

Ontroerend is de passage waarin hij het gemis van de gedroomde vader verbeeldt: ' Ik had moeten opgroeien met een vader die over zijn leven vertelde, die liedjes zong, met zijn jongens samen op hagedissenjacht ging, of met hen op kreeften ging vissen in de rivier (...) ik had naar hem moeten kunnen luisteren als hij sprak over zijn jeugd op Mauritius,' et cetera.

Tegelijkertijd bevat De Afrikaan ook zijn eigen gloedvolle zintuiglijke herinneringen aan zijn jongensjaren in Afrika, waar hij wordt overweldigd door ' de fantastische schaamteloosheid van de Afrikaanse lichamen' en de onmetelijke ruimte van de savanne. Na de beklemmende oorlogsjaren, opgesloten in een flatje in Nice, ervaart hij in Afrika ' een vrijheid die zo intens was dat ik me eraan brandde, er dronken van werd, ervan genoot op het pijnlijke af.'
Met instemming memoreert Le Clézio het Afrikaanse idee dat mensen niet geboren worden op de dag dat ze uit de moederschoot komen, maar op de plaats en het moment dat ze worden verwekt. Niet alleen zijn eigen onuitwisbare herinneringen aan Afrika, maar ook de mentale erfenis van het Afrikaanse geluk van zijn ouders hebben hem gevormd: ' Als ik niet die lijfelijke kennis van Afrika had gehad, als ik niet die erfenis had meegekregen van mijn leven vóór mijn geboorte, wat voor iemand zou ik dan zijn geworden?'
Zo lees je in dit prachtboekje ook hoe de kiem werd gezaaid voor een avontuurlijk schrijverschap. (ALLE LANSU)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.