Poëzie & psychiatrie

FRENK DER NEDERLANDEN

Is een goede dichter ook altijd een beetje gek? Mij lijkt van niet, want er zijn genoeg voorbeelden van het tegendeel. Maar helpen doet het misschien wel, getuige de lange lijst van poëten die half krankzinnig de mooiste zinnen uit hun pen lieten vloeien.

En voorwaar niet de minsten. De grote Gerrit Achterberg bijvoorbeeld, die zijn hospita doodschoot en jaren in psychiatrische inrichtingen verbleef ('En de hoop is een krijtwit kind, dat lacht tegen de rover, die het slacht.') Of Jan Arends, schrijver van de onsterfelijke strofe 'Ik vraag/geen mensen/bij mij thuis/Ik weet/dat wie koffie/bij mij drinkt/zich later ophangt.' Hij sprong uit het raam van zijn flat. En natuurlijk François Haverschmidt alias Piet Paaltjens, die zich aan een koord in zijn bedstee verhing: 'Dominee fluit, en als hij dat doet, is hij zielsbedroefd.'

Waanzin en genialiteit liggen dicht bij elkaar, en daarom liet ik mij deze woensdagavond graag verleiden tot een masterclass Poëzie & Psychiatrie, onderdeel van het Kwartiermakersfestival. Het was de vierde van in totaal zes avonden, waarop dichters die op enigerlei wijze ervaring hebben met de psychiatrie, voorlezen uit eigen werk en met de deelnemers in gesprek gaan. En dat gebeurt allemaal in een steeg met de toepasselijke naam Gebed Zonder End.

Op het terras van Kapitein Zeppos werd ik vriendelijk ontvangen door Frank Starik, de man die in 2002 de Poule des doods oprichtte, een dichterscollectief dat eenzame overledenen naar hun laatste rustplaats brengt. Hij ging me voor naar La Folie, zoals het bovenzaaltje van het restaurant heet, en daar trof ik zo'n twintig mannen en vrouwen, al dan niet met een psychiatrische achtergrond. Veel dichters, maar ook beoefenaars van andere schone kunsten, en zelfs een kattenfluisteraar.

Starik introduceerde de dichter van dienst: Menno Wigman (Beverwijk, 1966), schrijver van het wonderschone Het gesticht, een dagboek over de drie maanden die hij als writer in residence in de psychiatrische kliniek Den Dolder doorbracht. 'Wordt hier gelopen, dan worden er vooral schoenpunten bestudeerd. Je ziet meer schouders dan gezichten.' Poëzie, zo citeerde hij uit zijn gedicht Misverstand, is geen vorm van naastenliefde. 'Eerder een ziekte die je met een handvol idioten deelt.' ''Gedichten hebben iets magisch. Ze zetten de tijd stil, steken een spaak in het wiel. Een gedicht is een amulet dat je voor toekomstige rampen kan behoeden.''

Hin las Levensloop voor, over zijn vader, die in 2003 overleed: 'Hij stierf zoals hij in zijn Opel reed: beheerst, correct, zijn ogen dapper op de weg. Geen zin in dom geworstel met de dood.' En iemand zei: ''Qua web van klanken één van je beste gedichten.''

Men sprak over metrum, eindrijm en verdekte alliteratie. Baudelaire kwam voorbij, en natuurlijk JC Bloem met Insomnia: 'Denkend aan de dood kan ik niet slapen,/En niet slapend denk ik aan de dood.'

Wigman vertelde hoe hij in Den Dolder ('Lyriek uit de kliniek') tevergeefs op zoek ging naar een twintigste-eeuwse Achterberg. ''Medicatie dempt heel veel creativiteit, doodt die zelfs misschien.'' Zo niet bij een bewoner die, ongelogen, Peter den Dolder heet. Hij dichtte: 'Ik ben wel gek/maar nog niet zo gek/als de gekste gek/die van gekkigheid/niet weet hoe gek/hij moet doen/om nog gekker/te lijken/dan/de allergekste gek/die gek is/te gek/zo gek ben ik.'

Aan het slot van de avond nam meester Frank weer het woord. Hij gaf iedereen de opdracht voor de volgende keer een sonnet te schrijven, een sonnet over het leven in Amsterdam. ''Jullie weten allemaal wat een rijmschema is?''

Kun je dichten, dicht dan mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden