Plus Albumrecensie

Pianiste Beatrice Rana (1993) is wederom verbluffend goed

De Italiaanse pianiste Beatrice Rana (1993), dochter van twee pianospelende ouders, maakte in januari 2018 haar debuut in de serie Meesterpianisten, speelde als solist al met het Concertgebouworkest (Chopins Eerste pianoconcert), verbaasde in 2017 de wereld met haar kijk op Bachs Goldbergvariaties en eerder al met haar eerste cd op Warner Classics, met het Tweede pianoconcert van Prokofjev en het Eerste pianoconcert van Tsjaikovski.

Voor de administratie is het misschien ook nog aardig te vermelden dat ze in 2013, op haar twintigste, als tweede eindigde op het Van Cliburn Concours en dat ze drie jaar later in Brussel niet eens de finale haalde van de Koningin Elisabethwedstrijd. Wie het snapt, mag het zeggen. Inmiddels is Brussel weinig meer dan een grappige voetnoot in een carrière die gegarandeerd een hoge vlucht zal nemen.

Op haar nieuwe cd, de derde voor Warner, geeft ze andermaal blijk van haar uitzonderlijke kunnen, in de vorm van zeer geslaagde uitvoeringen van Ravels Miroirs en La Valse, de Danse infernale, Berceuse et Finale uit Stravinsky’s Vuurvogel (in de piano­transcriptie van Guido Agosti) en de Trois mouvements de Pétrouchka in de transcriptie van de componist zelf.

Om met dat laatste stuk te beginnen: Stravinsky leverde het op verzoek van de klavierleeuw Arthur Rubinstein, die het wat halfslachtig op zijn repertoire nam, maar de première in 1922 overliet aan Jean ­Wiener en het nooit op plaat heeft vastgelegd. Ongetwijfeld doordat hij dit bijna pervers lastig speelbare spektakelstuk nooit op het verlangde niveau in de vingers kreeg. Ook Stravinsky zelf, toch niet bepaald een pianist met bloemkoolvingers, kon het niet in het verlangde tempo spelen.

Pas in 1972 kwam er een opname, van Maurizio Pollini, die het stuk in al zijn duizelingwekkende virtuositeit recht deed. Die uitvoering was tot voor kort nog steeds ongeëvenaard.

Elegantie

Tot voor kort ja, want nu is er Beatrice Rana, die aan de bovenmenselijke precisie van Pollini – die ten onrechte weleens voor mechanisch wordt versleten – nog een elegantie en lichtheid weet toe te voegen (Italianen zouden het woord sprezzatura in de mond nemen) die je met open mond doet luisteren.

Rana bouwt haar betoog op haar nieuwe cd voorbeeldig op door te ­beginnen met Miroirs van Ravel, waarin zowel de nachtelijke timbres (Noctuelles en La Vallée des Cloches) als de zinsbegoochelende schitteringen (Une barque sur l’océan) magistraal gestalte krijgen.

Daarmee zijn de oren op scherp gezet voor haar uitzonderlijk verfijnde pianistiek en kan het hogeschool-­trapezewerk beginnen. Zowel de delen uit de Vuurvogel als uit Petroeskja zijn muzikaal en technisch verbluffend goed, klankrijk, ritmisch aanstekelijk en exact. Je moet het horen om het te kunnen geloven.

En dan sluit ze af met de piano­versie van La Valse – ook die was nog nooit zo overtuigend te horen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden