Plus Interview

Pete Townshend: ‘Het zou stom zijn The Who nu op te geven’

Beeld Getty Images

Juist toen Pete Townshend (74) dacht dat het einde The Who in zicht was, gebeurde er iets wonderbaarlijks tussen hem en zanger Roger Daltrey. ‘Ik begin Roger aardig te vinden.’

Hij had niet verwacht dat The Who nog zou gaan toeren, zegt gitarist Pete Townshend. “En een nieuw album? Dat zou er zeker niet meer komen. Eigenlijk dacht ik het erop zat voor ons. Ik houd gewoon niet erg van optreden en Roger had weinig behoefte aan nieuwe muziek. Tja, het leek eenvoudig: we were finished.”

Toch zou het anders lopen dan Townshend (74) zo’n anderhalf jaar geleden dacht. Begin volgend jaar trekt de inmiddels 55 jaar oude rockband zich weer in gang voor een Britse tournee. Plannen voor een uitbreiding naar het Europese vasteland worden gesmeed voor het najaar. Maar het opvallendst is toch het verschijnen van het twaalfde studioalbum van de groep. Who is de opvolger van het inmiddels al 13 jaar oude Endless Wire.

Townshend heeft voor de ontmoeting een Londens hotel uitgezocht dat zijn status van klassieke rockheld lijkt te weerspiegelen. Het chique interieur heeft onherroepelijk betere dagen gekend, maar het antiek blinkt nog steeds. Townshend – zilvergrijs baardje, uniform zwarte outift – drinkt thee. Twee gehoorapparaatjes verraden een leven tussen gitaargeweld en drumsolo’s. “Die dingen zijn geweldig,” wijst hij naar zijn oren. “Ik hoor bij toneelstukken eindelijk weer wat er wordt gezegd.”

Tweemanschap

Sinds het overlijden van John Entwistle in 2002 is The Who een tweemanschap. Drummer Keith Moon stierf al in 1978. Townshend en zanger Roger Daltrey (75) werden zo tot elkaar veroordeeld. Een tumultueuze relatie, die meer dan eens een storing in de machinerie van de formatie veroorzaakte. “Maar,” zegt Townshend nu, “juist vanwege Roger wilde ik niet dat The Who hier zou stoppen. Onze relatie wordt met de jaren beter. Sterker: ik begin Roger echt aardig te vinden. Het zou stom zijn nu op te geven.”

Ze waren altijd al tegenpolen. Daltrey, de noeste arbeiderszoon, en Townshend, de boekenwurm met een voorliefde voor filosofie en klassieke muziek. “Nog altijd vraag ik me soms af waarom ik ooit besloot om lid te worden van Rogers schoolband (The Who-voorloper The Detours, red.). Roger was de grootste pestkop van de school. Het gesprek vóórdat hij me bij de groep vroeg, eindigde met zijn woorden: ‘Als je dat nog één keer zegt, breek ik je neus’.”

Nog altijd hebben ze, vertelt de gitarist, totaal verschillende levens. “We wonen ver van elkaar, zien elkaar eigenlijk alleen als het om The Who gaat. We hebben elkaar altijd gerespecteerd, maar waren ook bang voor elkaar. Ik voor zijn energie en kracht, hij voor mijn vermogen te spreken en te schrijven. Maar die verhouding is veranderd. Via plezier om elkaars eigenaardigheden naar oprechte affectie. Juist die voor mij vreemde eigenschappen begin ik te waarderen. Ik kan ervan leren.”

De verbeterde verhoudingen brachten Townshend er na 55 jaar componeren voor The Who toe deze keer specifiek voor Daltrey te schrijven. “Ik wist dat Roger absoluut niet zat te wachten op een nieuwe rockopera (Townshend schreef met Tommy en Quadrophenia de wellicht twee beroemdste opera’s uit de rockgeschiedenis, red.). Het moesten losse liedjes zijn. En daarbij dacht ik voor het eerst: wat zou hij prettig vinden om te zingen?” Of Daltrey de geste apprecieerde? “Nou, hij blijft af en toe moeilijk om mee te werken. Ik stuurde hem eind augustus 2018 vijftien liedjes. Hij reageerde gewoon niet. Pas toen ik er in december nadrukkelijk naar vroeg, zei hij dat hij nog niet had geluisterd vanwege een trommelvliesontsteking. Maar kom op, zoiets duurt toch geen drie en een halve maand?

Verrassende liedjes

“Ja, ik weet dat hij nu zegt dat dit mijn beste schrijfwerk sinds Quadrophenia uit 1973 is. Merkwaardig. In het begin twijfelde hij juist heel erg. Pas tijdens het opnemen verdwenen zijn reserves. Of ik het album net zo goed vind als Roger? Het zijn in elk geval liedjes die mensen niet van The Who verwachten. Juist daarom vind ik ze interessant.”

De songs moesten tekstueel in elk geval de thema’s raken die de twee gemeen hebben, zegt Townshend. “We hebben eigenlijk maar één echte overeenkomst: we zijn oude mannen geworden. Daar gaat het openingsnummer All This Music Must Fade over. Ja, ook de Who-klassiekers zullen straks langzaam vervagen. Er komt steeds meer muziek bij. Daarin zullen onze songs uiteindelijk opgaan.”

Die mijmering brengt onherroepelijk een van The Who meest fameuze liedregels in herinnering. Voor My Generation schreef Townshend de zin: ‘Hope I die before I get old.’ Hoe denkt hij daar op zijn 74ste over? Hij zucht. “Het is mijn vaakst verkeerd begrepen tekst. Het ging niet over ouder worden, maar over mijn wens afscheid te nemen van de dwang van de generatie voor mij. Ik werd doodmoe van die types die vonden dat ze privileges hadden omdat ze de oorlog hadden meegemaakt.” Hij lacht alweer. “Het is vermoedelijk hetzelfde sentiment waarmee de millennials van nu naar ons babyboomers kijken.”

Maar nu hij erover nadenkt, Daltrey en hij delen uiteraard nog iets: 55 jaar The Who. ‘‘We runnen samen een soort rock-’n-rollmuseum. Ik ben blij dat we dat nu kunnen doen met nieuwe songs in de tentoonstelling. Zo worden we zelf geen museumstukken, maar blijven we de baas van de collectie. Op die manier vind ik het leuk genoeg om door te gaan.”

The Who – Who verschijnt vrijdag. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden