PlusAchtergrond

Ook het Concertgebouworkest mag weer voluit: ‘We zijn weer thuis’

Musici mogen eindelijk weer pal naast elkaar zitten. Ook in het Concertgebouworkest was het spelen op afstand een beproeving, maar nu keert de oude klank terug. ‘Na drie minuten dacht ik: we zijn weer thuis.’

Het Concertgebouworkest vorige week tijdens de Opening Night, een openluchtconcert op de Dam bij het begin van het nieuwe seizoen.  Beeld Peter Tollenaar
Het Concertgebouworkest vorige week tijdens de Opening Night, een openluchtconcert op de Dam bij het begin van het nieuwe seizoen.Beeld Peter Tollenaar

Orkestmusici zitten graag lekker dicht bij elkaar. Niet zozeer omdat ze dat gezellig vinden, maar vooral omdat ze er samen beter van gaan spelen. Ze kunnen makkelijker meegaan in elkaars ademhaling, in elkaars dynamiek en kleuren, waardoor het orkest als één versmeltend lichaam kan spelen. Ja, musiceren in een orkest heeft iets sensueels, maar daar moet je misschien niet te lang bij stilstaan.

Groot was dus de schok toen vanwege pandemie begin vorig jaar alles anders werd. De musici moesten onnatuurlijk ver van elkaar vandaan gaan zitten; meters.

“Ik zat opeens vijftien meter bij de concertmeester vandaan,” zegt fagottist Gustavo Nuñez. “Dat was onaangenaam. Het maakte alles ook veel moeilijker. Ik zat zo ver weg van de dirigent dat ik geen idee had of hij mij aankeek of iemand anders. Je hoort ook bijna niks van je collega’s. Dat was allemaal onaangenaam. Het was gewoon niet lekker spelen op die afstand. Eerlijk gezegd was het zelfs niet te doen. Het klonk ook voor geen meter in die lege Grote Zaal. Het Concertgebouw was het Concertgebouw niet meer.”

Dat laatste zegt ook eerste violist Christian van Eggelen. “Waar ik mee worstelde, was dat de klank van de Grote Zaal, die Bernard Haitink ooit zeer terecht ‘ons mooiste instrument’ noemde, totaal anders was geworden. Vergelijk het met je dure koffiezetapparaat dat niet meer warm te krijgen is, waardoor de koffie niet meer te drinken is.”

Kleuren en mengen

Voor solofluitiste Emily Beynon was het een groot probleem dat ze ‘minder subtiel’ kon spelen, ‘met minder dynamische nuances’, en dat ze de violen moeilijk kon horen. “Nog moeilijker dan anders, want in een volle zaal klinkt alles prachtig, maar op het podium is het voor ons altijd lastig. Dat realiseert niet iedereen zich misschien. Ik had de moeilijkheden die wat betreft timing ontstonden wel verwacht, maar niet dat intoneren, kleuren en mengen zoveel ingewikkelder zou worden.”

Contrabassist Dominic Seldis merkte vooral dat ‘de vibe’ verloren ging. “Ik voelde me eenzaam omdat ik echt alleen op mezelf kon vertrouwen. Normaliter richt ik me op de tweede bassist, omdat ik de dirigent in de gaten moet houden. En ik had, zo lang ik in het orkest speel, nog nooit zelf een bladzijde van mijn partij hoeven om te slaan. Dat was allemaal strange and unsatisfying.”

Iedereen vond het spelen zonder publiek misschien wel het ergste van alles. “Ik ben een stage whore, dus ik vond dat verschrikkelijk” (Seldis). “We hebben de warmte van dat publiek zo gemist!” (Beynon). “Je doet het uiteindelijk voor het publiek” (Nuñez). “Dat we bij de gestreamde concerten die we gaven na afloop helemaal niks terugkregen van het publiek en niks hoorden, was zeer confronterend. Je voelde je ongelooflijk alleen” (Van Eggelen).

Bruisend muziekland

Toch hebben de musici aan het begin van de coronamaatregelen gewoon de knop omgezet. “We moesten het ermee doen. We waren bezig en verder heb ik er niet over nagedacht. Dat doe ik pas nu,” zegt Nuñez. “We just got on with it,” zegt Seldis. “De meeste orkesten konden helemaal niet spelen, dus we telden onze zegeningen. Mijn vrienden in Londen spelen nog steeds niet of ze hebben maar één gig in de drie weken. Pas toen we weer onder normale omstandigheden konden spelen, realiseerde ik me hoe shit het was geweest al die tijd. En tegelijkertijd hoe geprivilegieerd ik ben omdat er in Nederland toch nog dingen mogelijk waren.”

“Alles wende,” zegt Beynon, “behalve het spelen op afstand.” Van Eggelen: “We waren op het moment zelf zo blij dat we überhaupt konden spelen, dat je al het andere buitensloot. Pas nu dringt tot me door hoe pittig dit was.”

Het moment waarop het orkest weer onder normale omstandigheden kon spelen hebben ze allen als louterend ervaren. “De klank was er meteen weer. Daar was ik eerst wel wat nerveus over. Na drie minuten dacht ik: we zijn weer thuis; we hebben ons instrument weer ­terug. Dat heeft me wel geraakt,” zegt Van Eggelen.

Nuñez: “De overgang naar normaal ging redelijk makkelijk, maar het was wel even wennen.

Beynon: “De hoeveelheid geluid om je heen vond ik verrassend, maar ook heerlijk. We hebben elkaars nabijheid erg gemist. Ik zie er ontzettend naar uit om binnenkort weer voor 2000 man te mogen spelen. En ik hoop dat we snel weer een bruisend muziekland worden.”

Uitverkocht huis

Als de Grote Zaal weer vol zit, zal dat leiden tot een drastische gedaanteverandering bij de fagotten. Gustavo Nuñez heeft sinds het begin van de coronatijd een reusachtige baard aan zijn gezicht laten groeien. “Ik heb me op 11 maart 2020 voor het laatst geschoren. Ik heb me voorgenomen dat hij er pas weer afgaat als we voor een uitverkocht huis spelen.”

Minstens één orkestlid zal opgelucht zijn. Van Eggelen: “Ik vind die baard er niet uitzien.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden