PlusAchtergrond

Nk Poetry Slam is een opstapje naar een carrière in de poëzie

Op de 19de editie van het NK Poetry Slam dingen elf deelnemers naar De Gouden Vinkwisseltrofee, een geldbedrag van 1000 euro én eeuwige roem. Persoonlijk leed staat vaak centraal.

Lemuël de Graav verloor vorig jaar in de finale van het NK Poetry Slam van Martje Wijers. Beeld Patrick Post
Lemuël de Graav verloor vorig jaar in de finale van het NK Poetry Slam van Martje Wijers.Beeld Patrick Post

‘Het gaat echt heel goed met me,” herhaalt Sannemaj Betten. Het papier in haar handen trilt een beetje. De hoogblonde slamdichter uit Friesland heeft al een plekje bemachtigd op het NK Poetry Slam (net zoals spokenwordartiest Marrit Jellema, met wie ze onlangs in het huwelijksbootje stapte), maar loopt nog een ronde warm in de jaarfinale van U-Slam.

Die vindt dit keer niet plaats in een stampvol café, maar in een zaaltje van het Utrechtste muziekcentrum Dums. De twee winnaars van deze avond mogen naar het NK. Een reeks beelden volgt: “Soms strooi ik een beetje aarde in mijn navel en plant ik een pitje.” Daar is de spreekwoordelijke navel die van Betten een typisch Nederlandse slamdichter maakt.

Dat wil zeggen: de inhoud van de gedichten is vaak particulier van aard. Liefdesverdriet, ziekte, dood en ander persoonlijk leed staan centraal. Politiek of maatschappelijk engagement is regelmatig ver te zoeken. Er wordt gespeeld met (gelaagde) metaforen en beelden. Het papier is het uitgangspunt, niet de performance. Die mag ook ingetogen zijn, hoewel die dat niet per se is. Op het NK wordt zowel de voordracht als de tekstuele inhoud beoordeeld.

Hoogwaterbroek

Het publiek zit vanwege corona verspreid op stoelen en brengt een stem uit door een roos in de lucht te steken. Slammen vraagt om de nodige moed. Je wint het publiek voor je, of niet. Het publiek is niet ongevoelig voor Bettens kwetsbare aanwezigheid op het podium. Van de vijftig rozen gaan er 22 de lucht in. Dat maakt haar echter een van de minder populaire slamdichters van de avond.

Bij de winnaars van de jaarfinale van U-Slam neigt de performance meer naar cabaret. De Brabantse wetenschapper Monique Hendriks, steevast ‘slachtoffer van opspattende satésaus’, fingeert met haar performance een psychose; haar bewegingen worden wilder, ze praat steeds sneller en harder en begint zelfs uitbundig te springen. De tweede finalist is de Utrechtse ­muzikant en neerlandicus Lucas Kloosterboer die, met zijn lange gestalte gestoken in een skinny hoogwaterbroek, in een hemd vanuit de zaal naar het podium sluipt, om het publiek toe te fluisteren: “Ik kauw traag op gele bloemetjes.” En: “Het gras is lief.” Later volgt een heel snelle rap op rijm. Zijn lichaamstaal, stemgebruik en teksten werken op de lachspieren van het ­publiek.

Pamflettistisch

Kloosterboer, Hendriks en Betten strijden volgende week om de eerste plek. Van oudsher is het NK Poetry Slam een mooi opstapje voor een carrière in de poëzie. Bekende winnaars als Erik Jan Harmens, Ellen Deckwitz en Carmien Michels begonnen in het slamcircuit.

De teksten van de deelnemers van Nederlandse poetryslams zijn vaak meer literair dan geëngageerd. Daarmee onderscheidt de Nederlandse slam zich van de Amerikaanse, Duitse en Belgische die vaak erg politiek is, op het pamflettistische af.

Wedstrijdelement

Dichter Ingmar Heytze, die poetryslam al vanaf het prille begin volgt, zegt: “Slam in Nederland is eerder een voortzetting van mijn eigen circuit: een literaire middag, waarbij iedereen wat voordraagt uit eigen werk. Er zijn maar een paar uitzonderingen in Nederland van slammers bij wie het live-element doorslaggevend is, denk aan Gijs ter Haar of Sven Ariaans.”

De kandidaten zijn dit jaar weinig divers (allemaal wit), hoewel er de afgelopen jaren juist meer deelnemers waren met verschillende ­achtergronden en ook meer kandidaten uit de spokenwordscene. Daar komt een bredere range aan tekstgenres aan bod, zoals columns, statements, korte verhalen en gedichten.

Vorig jaar deden er ook meer geëngageerde kandidaten mee aan het NK, zoals Benzokarim en Lemuël de Graav, die teksten voordroeg over hoe het is om als zwarte jongen in een witte ­wereld te leven. De Graav noemt zichzelf ‘verhalenverteller’ en werd vorig jaar tweede. Hij zal zich dit jaar niet revancheren, omdat het wedstrijdelement hem tegenstaat: “Je staat iets heel persoonlijks te doen en dan wordt er wel of niet voor je gestemd, ik vind dat dubieus.”

Kruisbestuiving

Het wedstrijdelement schrikt af, merkt ook ­organisator Ilfu, hoewel het platform juist de deelname van spokenwordartiesten probeert te bevorderen. Dat doet Ilfu onder meer door juryleden uit de spokenwordscene uit te nodigen.

Dit jaar bestaat de jury uit de Rotterdamse stadsdichter Anne Vegter, spokenworddichter Derek Otte en de Vlaamse spokenwordartiest Yousra Benfquih, die het harde onderscheid tussen papieren poëzie, spoken word en slampoetry ‘enerzijds begrijpelijk vindt, maar vaak onnodig artificieel’.

Sophie Kok, programmamaker bij Ilfu: “Het hoeven helemaal niet zulke afgescheiden ­werelden te zijn. We willen juist kruisbestuiving bevorderen.” Heytze voegt daaraan toe: “Misschien dat we dan eindelijk eens een keer beginnen te slammen in Nederland.

Wat maakt een goede performance?

Slammers, dichters en spokenwordartiesten staan allemaal op het podium en worden zodoende allemaal beoordeeld op hun performance. Wat maakt een goede performance? Vier dichters uit uiteenlopende scenes aan het woord

Spokenwordartiest en schrijfster Yousra Benfquih: “Spoken word draait om een goede balans tussen wat ik de 4 P’s noem: het persoonlijke, het politieke, het poëtische en de performance. Het mag niet te navelstaarderig worden, je moet je ook verhouden tot the world you live in. Op het podium raakt het talige – ritme, klank, beeldspraak – soms ondergesneeuwd. Maar voor mij is juist dat poëtische aspect heel belangrijk: is het gedicht meerduidig? Bij de performance vraag ik me af; wat gebeurt er hier méér dan op het papier? Een performance kan groots zijn, maar net zo goed klein en intiem, wat telt is of het raakt, je in beweging brengt.”

Dichter Babeth Fonchie Fotchind, treedt veel op en zal volgend jaar debuteren bij De Geus: “Ik vind het belangrijk om een verbinding aan te gaan met het publiek en probeer echt contact te leggen. Toen ik net begon gaf ik altijd veel te veel context. Nu denk ik: Laat de tekst maar gewoon zijn. Ik stop er zoveel ideeën, gevoelens en gedachten in. Je hoeft niet per se alles meteen te begrijpen. Ik vind het zelf fijn als na een performance de meerlagigheid van de tekst blijft hangen, en ik er nog even over kan nadenken.”

‘Verhalenverteller’ Lemuël de Graav, tweede tijdens het NK Poetry Slam 2020: “Ik probeer altijd van tevoren te bedenken: Welke gevoel had ik tijdens het schrijven en welk gevoel wil ik aan het publiek meegeven? Waar heb ik pijn gevoeld? Wat doe ik met mijn gezicht? Mijn handen heb ik eigenlijk niet nodig, dus die houd ik op mijn rug. Stilte is erg belangrijk, daarmee geef je het publiek de ruimte om te voelen. Wat ik echt niet vind kunnen is voorlezen van je telefoon, dat komt onpersoonlijk over en is onbeleefd.”

(Podium)dichter Ingmar Heyzte: “Hoe vaak zou ik op een podium hebben gestaan? Duizend, vijftienhonderd keer? Ik zie het nog steeds als een lange try-out voor het echte optreden. Ik probeer altijd eerst contact te maken met het publiek. Dat zag ik ook bij (spoken word dichter) Elten Kiene, met wie ik scholen heb bezocht. Hij kwam binnen en vroeg gewoon: ‘Hoe gaat het met jullie?’ Dat werkt. Maar je moet niet te lang ouwehoeren, mensen komen voor je poëzie. Een voordracht is voor mij, net als een gedicht, geslaagd als er niets meer bij of af kan zonder dat het minder wordt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden