PlusPS

Natascha van Weezel: 'Ik ben best een heftig persoon'

Natascha van Weezel (30) onderzoekt in haar nieuwe boek de voortwoekerende strijd tussen moslims en joden. Op een zeer persoonlijke manier, zoals in eerder werk. 'Het schattige, idealistische meisje dat ik was, is er niet meer.'

Natascha van WeezelBeeld Jitske Schols

Natascha van Weezel, dochter van de journalisten Max van Weezel en Anet Bleich, vond het leuk toen ze drie jaar geleden werd uitgenodigd voor de talkshow Hollandse Zaken. Een beetje aandacht, daar is ze niet vies van, bekent ze eerlijk.

Ze was gevraagd om te praten over de derde Gaza-oorlog, toen net uitgebroken. ''Als 'de verbindende jood', zo word ik wel vaker uitgenodigd," zegt ze.

En inderdaad, ze probeerde verbindende woorden te spreken, genuanceerd, noemde zichzelf een 'kritische zionist'. De reacties? Een meisje uit het publiek (T-shirt met 'Free Gaza') maakte haar uit voor fascist, Natascha's achterban op Facebook vond haar een landverrader.

Het kwam hard aan en was voor Van Weezel het teken om zich eens te verdiepen in die eeuwig voortwoekerende strijd tussen joden en moslims. Gewoon, voor zichzelf. Maar uiteindelijk is dat een boek ­geworden: Thuis bij de Vijand - Moslims en Joden in Nederland.

"De afgelopen jaren ben ik in steeds meer van die dialoogclubjes terechtgekomen. Steeds zag ik weer dezelfde twintig, dertig mensen. Jezus, dacht ik, als we het híervan moeten hebben! Waar is de rest?"

"Ik ben mensen gaan opzoeken, bij moskeeën naar binnengelopen, ik kwam op allerlei plekken. Ik wilde het ­begrijpen: hoe wérkt polarisatie? Hoe zit het eigenlijk met de relatie tussen joden en moslims? Ik ben opgegroeid in Zuid, naar keurige scholen gegaan - alles vrij elitair. Ja, mijn beste vriendin is half Marokkaans, maar dat wás het. En hoe vaak was ik in Nieuw-West geweest? Nooit."

En, ben je erachter gekomen hoe het werkt?
"Het is een zeer persoonlijke zoektocht geworden, niet een met een duidelijk antwoord. Een tijdlang heb ik gedacht: misschien pas ik bij een andere minderheid. En als ík bij hen thuishoor, kunnen alle andere joden ook bij ze thuishoren! Maar ja, zo werkt het niet. Ik ben geen moslim.

Uiteindelijk denk ik dat ik thuishoor bij de mensen die net als ik hokjes willen doorbreken. Als je die keuze maakt als individu, is dat heel fijn. Ik hoop dat heel veel mensen dat doen. Maar of ik joden en moslims nu op grote schaal nader tot ­elkaar heb gebracht - nee."

En op kleine schaal?
"Natuurlijk heb ik joden en moslims aan elkaar voorgesteld, gezorgd dat ze met elkaar praatten. Het wantrouwen zit diep, maar de haat niet. Alleen kan ik dat niet met alleen die paar mensen blijven doen met wie ik dat altijd doe. Er moet een ­beweging op gang komen. Ik ben natuurlijk het kind van twee politicologen, journalisten die heel geëngageerd zijn."

"Heel lang heb ik me wat verloren gevoeld tussen de millennials, de generatie die zich alleen maar bezighoudt met z'n eigen shit. Daar heb ik op de Filmacademie last van gehad. Jezus, iedereen is hier alleen maar coming of age-verhalen aan het maken!"

In een radio-interview hoorde ik je zeggen: 'Ik wil iedereen gelukkig maken.' Is dat waar je hier, met joden en moslims, ook weer mee bezig was?
"Daar heb je helemaal gelijk in. Dat is niet gelukt. Maar het is wat ik wil, altijd. Mensen vrolijk en blij maken, en zorgen dat ze me aardig vinden."

Je hebt iets van een pleaser in je?
"Oef, enorm. Ik ben een gigantische, veel te grote pleaser. Al wordt het minder, dus dat is goed. Tegenwoordig zeg ik soms: 'Ik ben moe, vanavond kan ik niet.' Of: 'Ik wil je heel graag helpen, maar kan het ook volgende week?' Vroeger was het: altijd redderen, altijd bereid anderen ten dienst te zijn. Op de Filmacademie mocht iedereen mijn aantekeningen kopiëren. Ik had altijd de beste aantekeningen."

Streberig en perfectionistisch, bereid om de resultaten te delen.
"Omdat ik wilde dat ze me aardig vonden. Doodsbang was dat ze me níet aardig zouden vinden."

Heb je eigenlijk een puberteit gehad?
"Van mijn zeventiende tot mijn twintigste ben ik waanzinnig veel uitgegaan."

Ook met kwaad zijn op je ­ouders?
"Tussen mijn veertiende en zestiende had ik anorexia, dat was ook een soort ­puberteit. Het was een daad van grote agressie. Ik vocht ook wel met mijn moeder, als ik moest eten maar het niet wilde."

Het was agressie, een manier om je ­ouders te kwellen?
"Het was heel veel, maar dat was het óók. Dat deed ik door mezelf te vernietigen. En dan was ik keihard. Ik keek mijn moeder recht in haar gezicht aan en zei: 'Je wilt dat ik eet? Doe ik toch niet.' Een glas melk voor haar neus leeggieten in de gootsteen: 'Drink ik lekker toch niet!' Echt heel naar. Manipulatief. En ik zag dat ze kapot ging van binnen. Ik was 14, puber, maar durfde geen normale puber te zijn."

Waarom niet?
"Omdat ik me nog heel erg een kind voelde. Iedereen om mij heen begon met puberdingen - jongens, alcohol - ik durfde daar totaal niet aan. Mijn lichaam haatte ik, dat moest weg. En een roep om aandacht, dat was het ook. Ik voelde me niet gezien door mijn omgeving. Al weet ik niet of dat terecht was. Maar ik was alleen maar met mezelf bezig in die tijd."

'Ik vocht met mijn moeder, als ik moest eten maar het niet wilde'Beeld Jitske Schols

"En toen dat ergste, eerste deel van mijn ziekte voorbij was, begon de normale puberteit: uitgaan. Heel veel uitgaan. Vijf dagen per week op een gegeven moment. Dansen, heerlijk. Aandacht. Van mannen. Werd ik ook heel onzeker van, maar toch."

Zoals veel anorexiapatiënten heb je ­talent voor onmatigheid.
"Ik denk dat ik alles nogal intens voel. Op de middelbare school zat een meisje in mijn klas dat vertelde dat haar gevoels­leven een regelmatige, rechte lijn was. Nou, daar kan ik me helemaal níks bij voorstellen. Ik ben best een heftig persoon."

"En daar ben ik soms ook bang voor. Mijn eigen heftigheid. Ik heb mijn hele leven gehoord: jij bent een apart meisje, jij bent een grappig meisje, jij bent een uniek meisje. Maar als je jong bent wil je een ­gewoon meisje zijn, zoals al die andere ­gewone, knappe meisjes."

Wie zei dat tegen jou?
"Ja, wie niet? Familie. Docenten op school. En ik werd ook wel gepest. Ik was anders, en zo voelde ik dat ook. Dat kon ik toen onmogelijk als iets positiefs zien."

Waar zit dat andere dan in? Je heftige gevoelsleven?
"Ik weet het niet. Misschien is het iets wat in mijzelf zit, misschien is het mijn opvoeding. Thuis was het: journalisten, ­sigaretten, alcohol. De hele boel op zijn kop als ergens een oorlog was uitgebroken. Altijd reuring. Vond ik niet leuk, als kind. En misschien waren mijn ouders ook niet honderd procent met mij bezig. Ze hielden veel van me, maar het leven moest doorgaan. En ondertussen was mijn grote wens: normáál zijn."

Toen je anorexia voorbij was, was de woede tegen je ouders toen ook voorbij?
"Ik denk het wel. Maar met mijn vader heb ik pas echt een goede band gekregen toen we op mijn negentiende een reis van drie maanden door Australië hebben ­gemaakt. Ik kwam er toen achter dat ik vreselijk op hem lijk."

Waarin is het leuk om op hem te lijken?
"Hij is heel sociaal. Voor het feestje moet je bij hém zijn. Althans, dat denkt ­iedereen altijd. Maar hij is streng voor zichzelf. Het moet altijd beter en sneller. En hij moet gezien worden. Dat hebben we allebei."

"Maar ook: onze liefde voor muziek. Heeft hij me bijgebracht. Top 40-muziek, heel bizar. Het songfestival, zijn we allebei dol op. En wat anderen daarvan vinden, daar hebben we schijt aan. Hij is de belichaming van: ik ben een beetje anders, en dat is oké. Zo kijk ik er nu ook tegenaan, maar dat heeft moeten groeien."

Al jouw werk is hoogst persoonlijk, waarom stel je jezelf altijd centraal?
"Ik vind het alleen maar interessant als het een groot, maatschappelijk thema raakt. En ik gebruik mijzelf omdat ik hoop dat ik grotere thema's zo invoelbaar kan maken voor mensen."

Je ziet je eigen aanwezigheid als een noodzakelijk kwaad?
"Wat ik van binnen voel, dát wil ik graag vertellen. Dat is vanaf mijn eerste boek, over mijn anorexia, zo gegroeid. Het is een stijl die ik heb ontwikkeld, en heel eerlijk: ik voel me daar prettig bij. Ik wilde eigenlijk actrice worden - drie keer afgewezen voor de Toneelschool. Daarna heb scenarioschrijven op de Filmacademie ­geleerd, maar ik ben een scenarioschrijver die niet van fictie houdt."

Is het niet zwaar je eigen leven en problematiek altijd maar zo uit te diepen?
"Wat is je werk en wat is de rest van je leven? Bij mij zijn die twee dingen niet vaak gescheiden. Ik vond het heerlijk om me de afgelopen anderhalf jaar totaal in dit onderwerp te verliezen. Ik geef lessen, volg trainingen, voer gesprekken, ga zo nu en dan langs bij iemand als Lodewijk ­Asscher, een sleutelfiguur. Praten, praten, praten. Ik heb dat nodig."

Het komt nooit in je op iets te maken wat niet zo nauw met jezelf verweven is?
"Het is niet mijn bedoeling om het steeds zo persoonlijk te maken, het ­gebeurt! Kijk, mijn eerste boek kon alleen maar persoonlijk zijn, bij mijn tweede boek was dat helemaal niet zo, maar het móest van de uitgever. Ze zeiden dat het mooier, beter zou worden als ik het persoonlijk zou maken. En bij mijn film, Elke Dag 4 Mei, gebeurde dat óók! De NCRV zei: 'We zenden het niet uit als je jezelf er niet in doet.'"

Dus je wordt steeds gedwongen om heel persoonlijke films en boeken te maken?
"Het is ook een beetje de stijl van deze tijd."

Ik kan me toch voorstellen dat je soms denkt: éven een onderwerp dat niet over joden en/of eten gaat.
"Ja, ben ik mee bezig! Mag ik nog niks over vertellen. Maar misschien word ik volwassen!"

Heb je veel geleerd van al die persoonlijke zoektochten?
"Ik vind het onzin om te zeggen dat het therapie was, want wat ik in therapie heb gedaan, daar val ik anderen niet mee lastig. Maar al die onderwerpen zijn geboren uit een diepe, persoonlijke interesse."

Jeugdfoto Natascha van WeezelBeeld -

"In de tijd dat ik mijn boek en film over de derde ­generatie maakte, had ik het gevoel dat ik heel erg beïnvloed was door de Tweede Wereldoorlog. Ben ik gek, vroeg ik me af. En: ben ik de enige? Op die vraag ben ik een antwoord gaan zoeken. Zo wordt persoonlijke interesse journalistiek."

Wat heb je van dit laatste boek geleerd?
"Ik was veel naïever toen ik hieraan begon. Ik dacht: mensen schreeuwen nu wel hard tegen elkaar, maar als we bij ­elkaar gaan zitten en praten, komt het goed. Dat is helemaal niet zo. Bij dit soort conflicten zijn er gewoon heel veel mensen die helemaal niet met elkaar wíllen praten. Mijn ideaal - leven in een land waarin iedereen lief is voor elkaar - blijkt niet voor iedereen te gelden. Daar komen heel harde dingen bij kijken, waarvan ik geschrokken ben."

"Ik ben meer antisemitisme tegengekomen dan ik had gedacht. Veel meer woede en verontwaardiging ook. Het schattige, idealistische meisje dat ik was, is er niet meer. Ik ben minder lief geworden. Complottheorieën over joden in de islamitische wereld, afschuwelijke dingen die joden over Palestijnen beweren - ik kan daar niet meer van wegkijken of het goedpraten."

In je boek wijd je een hoofdstuk aan je ontmoetingen met rapper Appa. Is hij een wolf in schaapskleren of een brave jongen die wat onhandige dingen heeft geroepen over de Holocaust?
"Ik weet dat ook niet! Ik wóu dat ik het wist! Ook voor mij is hij totaal niet te doorgronden. Het onderscheid tussen antisemitisme en antizionisme is heel lastig te maken, bij hem helemaal. Hoe hij zich over joden heeft uitgelaten, dat raakte mij in mijn hart. Maar toen ik met hem aan tafel zat, bleek hij charmant. Het klikte."

In dat hoofdstuk zit een bijna erotische lading.
"Ik denk niet dat we dát voor elkaar voelden, maar dat die lading erin zit, kan heel goed. Ik werk veel met Marokkaanse en Turkse mannen, en zoiets kan in zo'n contact sluipen. Alles netjes hoor, en ­onuitgesproken. Maar ik had gewild dat ik Appa echt had begrepen. Is niet gelukt."

Je beschrijft dat je de dag na de aanslag in Parijs op Charlie Hebdo, tijdens de gijzeling in de joodse supermarkt, snotterend in de armen van je moeder lag: 'Moeten ze óns weer hebben!'
"Ja, dat was een reactie die ik totaal niet had verwacht. Het was een angstig gevoel na zo'n aanslag, en dan komt erbij: toch ook weer een joods doel. Waarom ís dat toch? Waarom nou joden?"

"Ik was me juist aan het losmaken van de joodse gemeenschap, die hele cultuur waarbinnen ik was opgegroeid. Ineens was daar toch weer heel sterk het joodse besef. Blijkbaar kun je er toch niet helemaal van weglopen. Terwijl ik dat echt hard probeerde."

Ik zie jou als iemand die een zeer innige band met haar ouders heeft, ook omdat je in Trouw om de week een brief aan je vader schrijft, en hij aan jou. Is die band altijd zo geweest?
"Nee, die band is nieuw. Of nieuw, sinds een jaar of acht. We hebben heel moeilijke jaren gehad. Natuurlijk waren we ook close, bijna te véél van elkaar houden, ­elkaars pijn voelen en die weg willen nemen. Hoe we de laatste jaren met elkaar omgaan, dat zie ik als verzoening."

Hadden jullie ook gillende ruzies?
"Ja. Die konden over alles gaan en na vijf minuten weer over zijn, maar mensen van buiten dachten: oh my god. Een heftig gezin, veel emoties, heel verbaal."

De emoties konden hoog oplopen?
"Vooral bij mij. Ik kon ontzettend snauwen. Omdat ik me geneerde."

Had je toen verwacht dat je nu, rond je dertigste, week in week uit, een liefdevolle briefwisseling met je vader in de krant zou hebben?
"Nee, hahahahaha, dat had ik zeker niet! Maar ik ben er trots op. Sommige mensen vinden het krankzinnig, vragen zich af waarom we dat in godsnaam doen, maar I don't care anymore. Dat is wat ik heb geleerd. Is toch leuk als je zoiets met je vader kunt doen? We zijn allebei journalist. Had ik vroeger ook onmogelijk geacht, dat ik journalist zou worden. Nooit-nooit-nooit zou ik zelfs maar gaan schrijven."

Blijkbaar heb je te maken met veel niet te stuiten krachten.
"Ik vind het leuk. Het is wat ik kan, denk ik."

In het boek gaat het een paar keer over hoe klein je bent: 1 meter 58. Is dat ­belangrijk voor je?
"Haha, dat is niet bewust gegaan, maar het staat er inderdaad drie keer in. Ik voel me heel erg 1,58. Dat is best goed, hoor. Zo nét niet, nét niet 1,60. Mensen zien mij als een gek, schattig meisje. Als ik sigaretten of wijn ga kopen, moet ik me ­altijd identificeren. Prima, dat is oké. Want als het erom gaat, kan ik heel fel uit de hoek komen."

'Mensen van buiten dachten: oh my god, een heftig gezin'Beeld Jitske Schols

Natascha van Weezel

Geboren
2 augustus 1986, Amsterdam

1998-2005
Vossius Gymnasium, Amsterdam

2006-2008
Media en cultuur, Universiteit van Amsterdam

2007
Debuut: Magere Jaren

2008-2012
Nederlandse Film en Televisie Academie, afstudeerrichting scenario

2014
Documentaire Elke Dag 4 Mei (KRO-NCRV)

2015
Boek: De Derde Generatie, Kleinkinderen van de Holocaust

2015-heden
Wisselcolumn in Trouw met haar vader Max van Weezel

2017
Boek: Thuis bij de Vijand - ­Moslims en Joden in Nederland

Natascha van Weezel woont in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden