Plus Achtergrond

Muzikant Nick Lowe: carrière vol successongs, lsd en wodka

Nick Lowe, bassist, zanger, producer, maar vooral songschrijver, is een van de kleurrijkste Engelse popmuzikanten. Will Birch schreef Lowes biografie Cruel to Be Kind.

Nick Lowe in 2017. Beeld Getty Images

Auteur Will Birch zegt het maar meteen in de tweede zin van zijn voorwoord: hij is niet alleen een fan van Nick ­Lowe (70), hij is ook een vriend van hem. Vooral dat laatste lijkt nogal een handicap bij het schrijven van een biografie. Maar Cruel to Be Kind – The Life and Music of Nick Lowe is niet zo’n levensbeschrijving geworden waarbij de pagina’s aan elkaar plakken van het geslijm. 

Lowe, die helemaal geen biografie wilde, heeft enkele stukken voor publicatie gelezen en voorzien van commentaar, maar een geautoriseerde biografie mag dit boek (dat werd vernoemd naar Lowes grootste hit) niet heten.

Allereerste punkplaat

Toch heb je als lezer af en toe het idee dat Birch, die ook een biografie van Ian Dury schreef en medewerker van het kwaliteitsblad Mojo is, niet alles vertelt wat hij weet. Behalve een reputatie als een van Engelands beste songschrijvers en producers heeft Lowe ook een reputatie als een van de grote wildemannen van de popmuziek. 

De nu 70-jarige Brit leidt alweer jaren een heel verantwoord leven, maar de jaren zeventig bracht hij vooral trippend door en toen hij genoeg van de lsd had, zette hij het op een zuipen.

Twee flessen wodka gingen er op een dag gemakkelijk doorheen, lezen we. En een voormalig medemuzikant van Lowe mag vertellen dat ‘wetenschappelijk bewezen’ is dat je bij zulke hoeveelheden drank maar het beste ook heel veel cocaïne kunt gebruiken (en andersom). Ja, lachen, zoals meer drank- en drugsverhalen in Cruel to Be Kind hoogst komisch zijn, maar Birch is discreet en focust liever – en terecht natuurlijk– op Lowes artistieke kwaliteiten.

Na bassist te zijn geweest in de geflopte groep Brinsley Schwarz vond Lowe definitief zijn draai bij het in 1976 opgerichte Londense platenlabel Stiff Records, een zogeheten independent, die zijn platen aan de man bracht met de onsterfelijke slagzin ‘If it ain’t Stiff, it ain’t worth a fuck’. 

Lowes eigen single So it Goes was de allereerste plaat die op Stiff verscheen, maar belangrijker dan als uitvoerend artiest was hij voor het label als producer. Met The Damned nam hij New Rose op, Engelands allereerste punkplaat. 

En de samenwerking met ene Declan Mac­Manus, die op advies van Stiff de artiestennaam Elvis Costello aannam, beviel zo goed dat Lowe zijn eerste vijf albums produceerde.

Nick Lowe in 1982. Beeld Redferns

Al dan niet onder de vlag van Stiff speelde Lowe een essentiële rol in het succes van Wreck­less Eric, Dr. Feelgood, Graham Parker en The Pretenders. Hij vormde met de Welshe rock-’n-roller Dave Edmunds de groep Rockpile en had ook een wat wiebelige carrière onder eigen naam. 

In Nederland scoorde hij twee keer een hit: in 1978 met I Love the Sound of Breaking Glass. Dat laatste werd hier geen nummer 1-hit, zoals Birch beweert, maar bleef steken op de zesde plaats.

Nick Lowe beschouwt zichzelf vooral als een songschrijver en zijn biograaf is het met hem eens. Liedjes van zijn hand werden opgenomen door artiesten zo uiteenlopend als Elvis Costello, Tom Petty, Rod Stewart, Solomon Burke en Diana Ross. 

Een door Curtis Stigers gezongen versie van (What’s So Funny ‘bout) Peace, Love and Understanding, door Lowe in de Brinsley Schwarzperiode geschreven, werd in 1992 toegevoegd aan de soundtrack van de film The Body­guard (met Whitney Houston en Kevin Costner). Dat leidde ertoe dat er op Lowes bankrekening plotseling een bedrag van wel ­zeven cijfers werd bijgeschreven.

Maar trots is Lowe er vooral op dat zijn nummer The Beast in Me werd opgenomen door Johnny Cash. De Amerikaanse countrylegende was een tijd lang zijn ‘stiefschoonvader’ (Lowe was getrouwd met zangeres Carlene Carter) en komt dus nogal eens voor in Cruel to Be Kind. Allebei nog zwaar aan de drank brachten Low en Cash hele nachten samen zuipend door, ondertussen naar muziek luisterend en nog samen zingend ook.

Geen noot te veel

Starstruck was Lowe aanvankelijk ook toen hij in de jaren negentig toetrad tot de supergroep Little Village: zanger en songschrijver John Hiatt was zo ongeveer van zijn eigen niveau, maar drummer Jim Keltner en gitarist Ry Cooder behoorden tot de beste instrumentalisten van Amerika. Keltner en Cooder waren niettemin zeer te spreken over Lowes no-nonsense-en-geen-noot-te-veel-spel op de basgitaar.

Will Birch sprak voor de biografie van Nick Lowe een hele waslijst aan betrokkenen, maar liet in een interview weten dat één zeer bekende popster niet wenste mee te werken. Dat moet Keith Richards zijn, die in 1978 in New York te gast was bij een optreden van Rockpile. En die Richards zoop en snoof nog meer dan zijzelf. Zo ver heen was Richards dat hij op het podium niet aan de knoppen van zijn eigen versterker stond te draaien, maar aan die van Lowe.

Nick Lowe voelde zich evengoed vereerd dat Richards, hoe beneveld ook, met Rockpile wilde spelen. Edmunds zag er de lol niet van in en brulde na drie nummers de onsterfelijke woorden: “Get this cunt off the stage!”

Will Birch: Cruel to Be Kind – The Life and Music of Nick Lowe, Constable, €28.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden