PlusDe Klapstoel

Muziekjournalist Erik Voermans schreef duizenden recensies: ‘Critici houden zich tegenwoordig erg op de vlakte, maar als iets niet deugt, moet dat worden gezegd’

Erik Voermans met zijn kippen in de Betuwe: 'Ik heb ze leren kennen als grappige, lieve en slimme wezens, die het niet verdienen geslacht en opgegeten te worden.' Beeld Harmen De Jong
Erik Voermans met zijn kippen in de Betuwe: 'Ik heb ze leren kennen als grappige, lieve en slimme wezens, die het niet verdienen geslacht en opgegeten te worden.'Beeld Harmen De Jong

Erik Voermans (1958) is musicoloog. Hij schreef 33 jaar over klassieke muziek voor Het Parool. Nu verlaat hij de krant. In augustus verschijnt zijn debuutroman Neubach. Een interview aan de hand van steekwoorden: over groots dirigeren, de beste plek in het Concertgebouw en de mores van een slechte recensie.

Peter van Brummelen

Den Haag

“Zo ik iets ben, ben ik een Hagenees. Geboren in een opbouwwijk geheten Morgenstond. Mijn vader was ambtenaar en daarvoor beroepsmilitair. Mijn moeder was huisvrouw, zoals dat heette. Mijn ouders waren niet erg met muziek bezig. Ze hielden van de accordeonist John Woodhouse, de elpee James Last op klompen draaiden ze ook veel. Ik werd op de lagere school door frater Raimundo uitgenodigd lid te worden van het kerkkoor. Bij mijn eerste repetitie zaten achterin een paar grote jongens te klieren. Raimundo stapte er op af en gaf ze – pets! – een klap midden in het gezicht. Ik dacht: dit is mijn wereld niet. Misschien is daarmee een carrière als voorzanger in de knop gebroken.”

Militaire dienst

“Lichting 80-5. Ik diende bij de cavalerie in het elfde tankbataljon. In een Leopardtank laadde ik superzware granaten in de loop. Die Leopards, waar je met zijn vieren in zat, waren toen je van het. Zo’n ding kostte wel een miljoen gulden. De opleiding vond ik leuk, de parate diensttijd strontvervelend, echt zonde van mijn tijd. Het enige wat ik er heb geleerd was pilsekindjes innemen en wodka drinken.”

Musicologie

“Pas op mijn 25ste ben ik met die studie begonnen, in Utrecht. Als kind wilde ik altijd gymleraar worden. Maar na drie jaar op de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding moest ik toegeven dat het niets voor mij was. Na mijn diensttijd ben ik uit pure wanhoop naar de Bibliotheek en Documentatie Academie in Den Haag gegaan. En toen ik dáár mee klaar was, dacht ik: nu wil ik alles van muziek weten. Mijn Haagse buurjongen Rieks Bauman had met die keuze veel te maken. Dat was een interessante vogel, die onder invloed van lsd en verdovende sigaretjes luisterde naar muziek van Stockhausen en andere rare componisten.”

Gitaar

“Op mijn zestiende mee begonnen, ook best laat. Ik heb het mezelf geleerd. Zonder te begrijpen wat er muzikaal allemaal gebeurde, speelde ik loopjes van jazzrockgitaristen als Al Di Meola en John McKnoflook (John McLaughlin) na. Toen een paar jaar later de punk opkwam, vond ik dat helemaal niks. Johnny Rotten and the Diapers of hoe die lui ook heetten: ketelmuziek voor bavianen. Ik ging een heel andere kant op. Via de jazzrock kwam ik bij de jazz en dan vooral de experimentele jazz. De late Coltrane, het Art Ensemble of Chicago, Albert Ayler; het kon me niet gek genoeg.”

Rij 15, stoel 33

“Al die jaren mijn vaste plek in het Concertgebouw. De legendarische Paroolrecensent Lex van Delden zat er ook al. Het is een ideale plek, zowel qua akoestiek als qua zicht. Zeker vocale muziek klinkt er helder en transparant, zit je iets verder naar achteren dan heb je al een ander geluid. Heel fijn is ook dat je vanaf mijn plek de pianist op zijn handen kunt kijken. De Volkskrant zit op het balkon, die zien daar niets van.”

Wenen I

“Mooie stad... achter de duinen. Ik ben er niet vaak geweest, hoe raar dat ook klinkt. Het is de bakermat van de klassieke muziek, de plexus solaris. Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert... Iedereen komt ervandaan of heeft er gewoond. En de Wiener Philharmoniker is nog altijd het beste orkest van de wereld. De stad ademt muziek, daar kun je vanuit Nederland alleen met jaloezie naar kijken. In Wenen weet iedere taxichauffeur alles van klassieke muziek.”

Wenen II

“Ik kan heel ontroerd raken van muziek, zeker nu ik op leeftijd ben. Ik begin steeds meer een huilebalk te worden, ben ik bang. Het komt op de meest onverwachte momenten en ik kan wenen om een enkel akkoord. Ik had het sterk bij de opera Written on Skin van George Benjamin. Je kunt je in zo’n zaal niet helemaal laten gaan natuurlijk, dan zit je voor gek, maar eigenlijk doe je jezelf daarmee tekort. Thuis hoef ik me niet in te houden. Popmuziek? Ja, heb ik het ook bij. Bij een mooie, beetje gruizige soulstem ben ik niet te houden.”

Stephen Fry

“Ik was voor de krant naar het jaarlijkse Wagnerfestival in het Duitse Bayreuth. Het regende verschrikkelijk en ik stond onder een luifel te wachten. Uit een auto van de BBC kwam een mevrouw die vroeg of ze mijn paraplu mocht lenen. ‘For our presenter.’ Even later zag ik tot mijn verbijstering Stephen Fry onder mijn paraplu lopen! Ik ben ook groot liefhebber van Blackadder, thuis keken we ook graag naar de door hem gepresenteerde quiz QI. En hij weet veel van klassiek.”

“In Bayreuth was hij er later op een persconferentie ook weer en heb ik me voorgesteld: ‘I’m the umbrella man.’ Hij was ontzettend aardig. Angela Merkel was er ook, ze is een enorme Wagnerkenner. Stephen Fry bekeek haar van een afstand en zei: ‘Hmm, rather a mousy type, isnt’t she?‘ Aan zijn rol in De ontdekking van de hemel had hij wat woordjes Nederlands overgehouden. Bij het afscheid zei hij: ‘Doeiiii’. Later bij het concert bleken we op dezelfde rij te zitten. Hij prikte me bij het langsgaan in de borst en zei: ‘Schicksal!’ Mijn eerste MeToo-ervaring.”

Kippen

“Sinds ik landelijker ben gaan wonen, in de Betuwe, heb ik kippen. Ik heb ze leren kennen als grappige, lieve en slimme wezens, die het niet verdienen geslacht en opgegeten te worden. Zes heb ik er op het ogenblik, elk met een eigen karakter. Van links naar rechts zijn het: Klaartje, Racerudy, Juultje, Spikkel, Witje en de haan Gilberto Gil, ook wel Gil Bill, die we zo hebben genoemd omdat hij zo hard gilt. Vroeger at ik graag een kippenbout, nu krijg ik die niet meer door mijn strot. Ander vlees smaakt me ook niet meer, ik ben hardcore vegetariër geworden. Ik sla ook geen vliegen meer dood, ik laat ze vrij.”

Klaus Mäkalä

“Het 26-jarige dirigeergenie. Ik heb hem maar drie keer meegemaakt, te weinig om echt iets over hem te zeggen. Maar dat het Concertgebouworkest hem unaniem als nieuwe chef wil, zegt genoeg. Verbijsterend dat je op die leeftijd al zo goed kunt zijn. Verbijsterend dat je op die leeftijd überhaupt iets kunt. Toen ik zo oud was als hij was ik een soort randdebiel.”

Bernard Haitink

“De grootste dirigent die ik aan de gang heb gehoord, zeker de laatste tien jaar. Het is nauwelijks uit te leggen wat hij deed. Er kwam een oud breekbaar mannetje het podium op. Hij hief zijn hand en er klonk een geluid dat je de adem benam. Stond er een ander die precies hetzelfde deed, dan gebeurde het niet. Verklaar maar eens hoe dat kan. Ik heb hem vier keer geïnterviewd. Nooit in Amsterdam, wat wel aangaf hoe beroemd hij was. Een héél aardige man. Hij hoefde een artikel ook nooit van tevoren te lezen, hij vertrouwde je. En hij had altijd nieuws. Mijn scoop dat hij nooit meer wilde werken met het Concertgebouworkest, dat hem weer eens had beledigd, werd overgenomen door Het Journaal.”

Lucebert

“Ik ben een liefhebber van dichtkunst, van hermetische dichtkunst zelfs. Ik sta op het standpunt dat kunst pas interessant wordt als je er helemaal niets meer van begrijpt, als je je associatieve vermogen moet aanzetten en je geest moet laten waaien. Het is een niet heel populair standpunt meer, want de mensen willen tegenwoordig alleen friet met mayonaise. Maar goed, ik kreeg van iemand een cd met opnames van Lucebert die eigen werk voordroeg. Ik vond het zo hartverscheurend mooi dat ik er gitaarmuziek bij maakte. Het leidde tot de pracht-cd De hemelse wanklank, die mij veel roem en eer bracht. Er verscheen niet alleen een lovende bespreking in de NRC, hij was ook onderdeel van een tentoonstelling in het Van Abbemuseum.”

Frank Zappa

“Ik denk wel eens dat er een tijd komt dat ik, als ik seniel ben geworden bijvoorbeeld, alleen nog maar Zappa draai. Bij hem is voor mij alles begonnen. Ik ben altijd een compulsieve lezer geweest van teksten over muziek. Ik kon als jongen meelullen over muziek die ik nog nooit had gehoord. Van die Zappa, over wie ik zo vaak las, vond ik in de platenbieb de elpee Roxy and Elsewhere. Het eerste nummer, Penguin in Bondage, vond ik geen reet aan. Waar was alle ophef over? Ik zette door en op kant twee snapte ik het. Jezus, wat goed.”

“Alles wilde ik horen van Zappa. Maar hij was ook de man die me via interviews de weg wees naar componisten als Webern, Varèse, Stravinsky, Bartók, allemaal namen die me toen nog niets zeiden. Ik dook helemaal de modern-klassieke hoek in, pas later ben ik afgedaald in de muziekhistorie. Zappa is geen pure componist, maar hij is ook geen pure rockmuzikant. Hij zit er tussenin en juist dat hybridische maakt hem zo interessant. Op dat gebied was er in de twintigste eeuw geen groter genie dan hij.”

Karlheinz Stockhausen

“Ook een held. De eerste keer dat ik hem interviewde, was bij hem thuis in Kürten. Hij woonde in een prachtig onder architectuur gebouwd huis. Niet warm te krijgen, maar dat deed er niet toe. Hij had een reputatie als knorrig, vijandig zelfs. Begrijpelijk, want hij werd door de Duitse pers voortdurend over de kling gejaagd. Toen ik de huiskamer inkwam, kreeg ik bijna een hartinfarct van schrik: vanuit een bepaalde hoek leek hij ontzettend veel op mijn vader. Het brak wel het ijs, hij viel alles mee. Toen ik hem later mijn verslag van de opvoering van zijn Helikopterkwartet stuurde, kreeg ik een heel aardig kaartje terug: ‘Mein Holländisch wurde spontan besser als ich Ihren guten Text las’.”

Roman

“In augustus komt mijn veelgelezen debuutroman Neubach uit. Hoofdfiguur Vladimir Neubach is, het zal niet verbazen, een componist. In de jaren vijftig vlucht hij voor Stalin van de Sovjet-Unie naar Amsterdam. In het wereldje waar hij daar terechtkomt, zal de ingevoerde lezer wat personages herkennen. Een sleutelroman? Nee, nee, er zitten wat sleutelige elementen in, maar zeker 90 procent is ontsproten aan de fantasie des auteurs.”

Recensies

“Ik heb er in 33 jaar echt dui-zen-den geschreven. Daar zaten soms krankzinnige vormexperimenten tussen. Het tekent Het Parool dat die gewoon afgedrukt werden, ik kreeg alle vrijheid. Ik ben ook hard geweest. Critici houden zich tegenwoordig erg op de vlakte, maar als iets niet deugt, moet dat worden gezegd, vind ik. Een componist heeft jaren aan een stuk gewerkt en ik hoor al binnen vijf seconden dat het niet goed is. Dat is gruwelijk natuurlijk, maar iemand moet het opschrijven. En omdat mijn naam onder die recensie staat, sta ik ook ontzettend in mijn blote kont. Een recensie zegt net zoveel over degene die hem schreef als over het besproken kunstwerk, meer zelfs waarschijnlijk. In die zin zijn mijn ongeveer 5000 recensies voor de krant een langgerekte autobiografie.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden