PlusBoekenrecensie

Musicoloog Willink over de relatie tussen Beethoven en Schubert

Musicoloog Robert Joost Willink heeft een boek geschreven over de complexe relatie tussen Schubert en zijn held Beethoven.

Portret van Franz Schubert (1797-1828), 17 jarige leeftijd, c.1814  Beeld Getty Images
Portret van Franz Schubert (1797-1828), 17 jarige leeftijd, c.1814Beeld Getty Images

Wie ervan houdt graven van beroemde componisten of musici te bezoeken (ik beken schuld, edelachtbare), is vanzelfsprekend weleens naar het Cimetière du Père-Lachaise in Parijs geweest. Een imposante plek, met een oppervlak van 44 hectare, waar veel bekende namen liggen. Bizet, Chopin, Rossini, Poulenc, Bellini, Chausson, Cherubini, Dukas, Lalo, Duparc, Enescu (al wordt zijn naam op de tombe als Enesco gespeld), om nog maar te zwijgen van sterren uit andere muzieksoorten, zoals Michel Petrucciani, Michel Legrand en Jim Morrison.

Maar eerlijk is eerlijk, Père-Lachaise is Madurodam vergeleken met het grootste kerkhof ter wereld, het Wiener Zentralfriedhof, dat maar liefst 194 hectaren gróter is. Het kerkhof schittert zowaar in een film, The Third Man, waar aan het begin en het einde het hoofdpersonage Harry Lime (gespeeld door Orson Welles) wordt begraven.

Op het Zentralfriedhof liggen zo veel kunstenaars dat het je duizelt. Brahms, Czerny, Gluck, Ligeti, Pfitzner, Kálmán, Salieri, Schönberg, Johann Strauss (zowel de vader als de zoon), Hugo Wolf, Zemlinsky, Joe Zawinul, Edgar Froese van Tangerine Dream en nog een klein leger aan minder bekende componisten.

Begraven naast zijn held

De beroemdste twee van allen zijn nog niet genoemd: Ludwig van Beethoven en Franz Schubert. Ze liggen nog kunstbroederlijk naast elkaar ook. En zeer waarschijnlijk zijn ze meteen ook de enige componisten ter wereld die op twee verschillende kerkhoven pal naast elkaar hebben gelegen. Nog een ander record: Schubert is vast de enige componist die drie keer is begraven.

Dat zit zo. Zowel Beethoven, die in 1827 stierf, als Schubert, die een jaar later overleed, werden eerst ter aarde besteld op het Währinger Ostfriedhof, aanvankelijk drie graven van elkaar verwijderd, maar vanaf 1863 als buren, toen Schubert werd herbegraven en naast zijn grote held werd gelegd. Dat had zijn broer Ferdinand geregeld. In 1888 hield het Währinger Ostfriedhof op te bestaan. Alle graven werd geruimd en de stoffelijke resten gingen naar het Zentralfriedhof, waar de twee andermaal naast elkaar kwamen te liggen, in een rijtje Ehrengräber.

Schuberts herbegrafenis in 1863 was een hele gebeurtenis geweest, die symbool stond voor de herwaardering die hem als componist ten deel was gevallen. Pas na zijn dood werd immers ontdekt hoe verschrikkelijk veel Schubert in zijn idioot korte leven had geschreven Hij werd maar 31 en had zijn immense oeuvre van bijna 1000 opusnummers in slechts 15 jaar gecomponeerd. En vooral, hoe hoog de kwaliteit daarvan was.

Dat hij nu naast de componist die allerwege tot de grootste toondichter in de geschiedenis werd beschouwd kwam te liggen, was een daad van rechtvaardigheid. Het zou Schubert zelf enorm hebben gerustgesteld, want tijdens zijn leven was hij permanent in een stilzwijgende concurrentie geweest met Beethoven, die hem zowel inspireerde als intimideerde en die hij verafgoodde.

Over die complexe relatie heeft musicus en musicoloog Robert Joost Willink een fascinerend boek geschreven, waarin niet alleen de artistieke en psychologische kanten ervan worden belicht, maar waarin ook heel concrete feiten aan de orde komen, zoals hoeveel beide componisten met hun werk verdienden.

Onomstreden genie

Dat zag er bij Beethoven heel wat gunstiger uit dan bij Schubert, die – zo berekende de zwaarwichtigste van alle experts (Otto Deutsch) in 1964 – in zijn hele leven bij elkaar ongeveer 8900 Oostenrijks-Hongaarse gulden moet hebben vergaard. Vergeleken met Beethoven, was dat weinig.

Dat Beethoven zo veel meer verdiende kwam volgens Willink domweg doordat zijn genie in de laatste jaren van zijn leven onomstreden was en hij, door uitgevers tegen elkaar uit te spelen, het onderste uit de kan kon halen. Schubert was minder beroemd, minder uitgekookt en vooral veel te lief. Met zijn inkomsten financierde hij vooral zijn vriendenkring, die schaamteloos op zijn zak teerde.

Het wordt leuk als Willink inzoomt. Beethoven ontving in 1821 voor zijn drie laatste pianosonates, opus 109, 110 en 111, drie keer 40 dukaten (540 Oostenrijks-Hongaarse gulden), terwijl Schubert bijvoorbeeld voor zijn Wandererfantasie in 1823 met 20 gulden genoegen moest nemen. Voor zijn Winterreise kreeg hij van uitgever Schott in 1828, het jaar van zijn dood, 500 gulden. In 1823 verkocht hij aan Diabelli alle rechten van de muziek die hij tot dan toe had geschreven voor 800 gulden. Willink wrijft het er lekker in als hij schrijft dat Schuberts vriend Spaun ooit liet weten dat uitgever Sauer & Leidesdorf van de opbrengsten van de Müller-Lieder een huis had gekocht.

Schuberts nalatenschap was ongeveer 63 gulden. Die van Beethoven bedroeg 9885 gulden, voor die tijd een klein fortuin. Dat vat het wel zo’n beetje samen.

Een onvoltooid leven, Robert Joost Willink Beeld
Een onvoltooid leven, Robert Joost Willink

Robert Joost Willink: Een onvoltooid leven - Franz Schuberts Schmerz en de schaduw van Beethoven. Eburon, €29,50

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden