PlusBeeldspraak

Moet iedereen het leger in? Vietnamfilm Full Metal Jacket schetste het nachtmerriescenario

Wat als je een oproep krijgt voor militaire dienst? Eronderuit proberen te komen of gaan vechten? Stanley Kubrick schetste het nachtmerriescenario in zijn Vietnamfilm Full Metal Jacket. Jules Deelder beschreef hoe hij werd afgekeurd en opende daarmee een nooduitgang.

Bart van der Put
Private Joker (Matthew Modine) verliest zijn haren in ‘Full Metal Jacket’. Beeld Alamy Stock Photo
Private Joker (Matthew Modine) verliest zijn haren in ‘Full Metal Jacket’.Beeld Alamy Stock Photo

Koude rillingen met klamzweet. Paarse wallen en een galopperende hartslag. Een doffe oogopslag in een lijkbleek smoelwerk. Het was geen pretje maar de operatie liep gesmeerd. Nog even volhouden. Denk aan het doel: halfdood de kazerne in en als vrij man naar buiten. Dat doel heiligde alle middelen. Een dikke week zonder slaap op een slopend mengsel van hectoliters koffie, een minimum aan voeding en een maximum aan onversneden amfetamine. U vraagt kadaverdiscipline? Hier is mijn kadaver!

Het was 1984. Het feest was nog maar een paar maanden bezig toen de oproep kwam. Omdat ik helemaal niet meer deed alsof ik studeerde, had de administratieve uitschrijving bij de hogeschool de bureaucratische kanalen doorlopen. De Staat der Nederlanden achtte mij geschikt voor militaire dienst. Dat leek me als bleekneusje en vedergewicht een vergissing om redenen van lichamelijke aard. Het paste bovendien niet in mijn plannen. Maar ik was al goedgekeurd.

De Russen en Amerikanen stonden op het punt om elkaar met neutronenbommen en andere atoomwapens te bestoken. Voor de rest zag de toekomst er ook niet best uit. Daar kon mijn generatie weinig aan doen. We demonstreerden massaal op het Museumplein en het Malieveld, daarna trok iedereen een eigen plan. Wij kozen ervoor te feesten tot de dokter kwam of de bom viel. Dat ging goed, dus de vooruitzichten op de korte termijn waren niet slecht. Maar toen viel de oproep op de deurmat.

Een satanische hippie

Na de aanvraag voor een medische herkeuring kwam het bevel om op de kazerne aan de Sarphatistraat in mijn nieuwe woonplaats Amsterdam te verschijnen. Dat leek een goed begin. In Breda was ik eerder jong en onbedorven goedgekeurd. Dit werd een thuiswedstrijd waarop ik me zonder ouderlijk toezicht roekeloos kon voorbereiden.

De man die mij op papier en op het podium tot voorbeeld strekte leverde het aanvalsplan. Het stond in zijn verhalenbundel Schöne Welt. De auteur had het boek op mijn verzoek in 1982 van een opdracht aan een navolger voorzien: ‘Doe je best!’

In het korte verhaal Operatie Stonehenge doet Jules Deelder verslag van zijn bondige 24 uur in dienst van het Nederlandse leger. Hij meldde zich als satanische hippie een week te laat bij de kazerne in Grave, onder invloed van het geneesmiddel Romilar. Een etmaal later was hij ongeschikt verklaard. Hij werd een vrij man dankzij een overdosis hoesttabletten en een luidkeels geveinsde geloofsovertuiging, waarin occulte riten, het Derde Rijk en Stonehenge figureerden. Ik las het verhaal twee keer en wist wat mij te doen stond.

De malle religieuze bezwaren waren achterhaald: Deelder had daarover triomfantelijk uit de school geklapt. Maar lichamelijke gebreken kon men niet veinzen of verzinnen, die werden gemeten en vastgesteld. De Romilar werd vervangen door amfetamine op basis van Deelders motto: leven zonder speed is het leven niet. Het in de punkscene populaire pepmiddel volstond om de gewenste conditie te krijgen. De wilde haren en subculturele garderobe deden de rest. De herkeuringsarts droeg zowaar een T-shirt van Siouxsie and the Banshees. Dat was in Breda ondenkbaar. Een van de onzen zou mij fluks verlossen van een haaramputatie en de gevreesde kadaverdiscipline.

Een paar maanden later kwam de uitslag: goedgekeurd! Ik vervloekte de subculturele infiltrant die mijn conditie niet punk genoeg had bevonden en opende de tweede envelop van de Staat der Nederlanden. Ik was Buitengewoon Dienstplichtig verklaard en zou alleen in dienst moeten indien het land in oorlog verkeerde. Ik sloot een verbond met vrienden die dezelfde status kregen: bij oorlog zouden we een busje van Ouke Baas huren om zo ver mogelijk van het front weg te rijden.

Mazzel gehad

Later zaten we buitengewoon dienstplichtig in de bioscoop voor Full Metal Jacket (1987), de Vietnamfilm van grootmeester Stanley Kubrick. De eerste beelden gingen door merg en been: tientallen jonge mannen werden kaalgeschoren zodat ze tot moordwapens gedrild konden worden. Als er iets te vrezen viel in de hoogharige jaren tachtig dan was het dat wel. Liever de dood dan een kaalgeschoren kop. Kubricks indringende weergave van de training en de dienst aan het front loog er ook niet om. Wij hadden mazzel gehad en proostten na afloop op Stanley Kubrick en Ouke Baas.

Vorige week sprak een tv-reporter een Oekraïense vader aan, die met twee bloedjes van kinderen in een volgepakte auto het land uitreed. Wist meneer soms niet dat alle volwassen mannen voor de verdediging van het vaderland waren opgeroepen? De vader keek meewarig naar de man die hem de gewetensvraag stelde. Hij keek naar zijn zoontjes. En hij zweeg.

Wat moet je doen wanneer de bommen vallen? Wat moet je doen als je niet wilt vechten en niet wilt doden? Doe je best! Meer kun je niet doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden