Miró herenigd met voorbeelden uit het Rijks

Jan Steen: Kinderen leren een poes dansen (1660-1679), Joan Miró: Hollands interieur (1928). Foto's Rijksmuseum Beeld
Jan Steen: Kinderen leren een poes dansen (1660-1679), Joan Miró: Hollands interieur (1928). Foto's Rijksmuseum

In 1928 kopieerde de surrealistische schilder Joan Miró enkele zeventiende-eeuwse schilderijen uit het Rijksmuseum. Nu hangen ze daar voor het eerst naast elkaar.

Het zou een herinnering van een willekeurige toerist kunnen zijn. ''Ik ging twee weken naar Holland om de musea te bezoeken. Eenmaal daar werd ik ook getroffen door de schoonheid van het landschap; het was de tijd van het jaar waarin de bloemen op hun mooist zijn.''

In 1978 keek de Catalaanse schilder Joan Miró (1893-1983) terug op een reisje van vijftig jaar eerder. Hoofddoel was het Mauritshuis in Den Haag en het Amsterdamse Rijksmuseum, om zeventiende-eeuwse schilderijen te bestuderen. Een bezoek aan Holland zoals duizenden, maar het heeft wel zijn sporen in de kunstgeschiedenis heeft nagelaten. Twee interieurscènes van Hendrick Sorgh en Jan Steen inspireerden hem tot een serie van drie schilderijen. Deze Hollandse interieurs worden nu samen getoond met hun zeventiende-eeuwse voorbeelden, plus de schetsen en voortekeningen die Miró maakte.

Miró kocht in het Rijksmuseum ansichtkaarten van een aantal schilderijen, die hij later gebruikte voor zijn eigen Dutch interiors. Op het eerste gezicht lijken de doeken van Miró weinig op de voorbeelden uit het Rijks. Toch blijkt Miró vrijwel elk element te hebben overgenomen, waarbij hij alle figuren en voorwerpen op de doeken van Sorgh en Steen naar zijn hand zette. Het hoofd van de lachende jongen op de linkerkant van het schilderij van Steen is bij Miró een grotesk waterhoofd geworden, het poesje dat op tafel danst wordt daarentegen gereduceerd tot een minuscuul poppetje. Het fluitspelende meisje en de hond zijn nog goed herkenbaar, maar de grote jongen achter de tafel wordt bij Miró een bijna abstracte, ballonachtige vlek.

De rommeligheid van Jan Steen
Volgens Ludo van Halem, conservator twintigste eeuw van het Rijksmuseum, was Miró een groot bewonderaar van Vermeer, maar in zijn eigen schilderijen is dat niet te zien. ''Hij werd blijkbaar aangetrokken door de rommeligheid van Jan Steen, maar ook die dieren waren heel belangrijk. Ik vermoed dat hij in de zeventiende-eeuwse genreschilderijen parallellen zag met de manier waarop hij een paar jaar daarvoor zelf schilderde. Jan Steen was waarschijnlijk een schok van herkenning.''

Twee van de drie Dutch interiors die Miró schilderden werden al snel beschouwd als belangrijke sleutelwerken in het oeuvre van de surrealist. Ze werden in de jaren veertig gekocht door respectievelijk Peggy Guggenheim en het Museum of Modern Art en waren te zien in tal van tentoonstellingen en publicaties. Toch was er weinig bekend over de Nederlandse reis van Miró. Ook de bron van het derde schilderij, sinds 1994 in het Metropolitan Museum of Art in New York, was niet bekend. Waar was toch het schilderij dat als voorbeeld diende voor dat doek?

Van Halem deed opnieuw onderzoek naar de reis en naar Miró's werkwijze. Op 14 mei 1928 stuurde hij een ansichtkaart uit Amsterdam. Daarop staat een nieuw huizenblok in de Heinzestraat in Zuid, ontworpen door Piet Kramer - een indicatie dat Miró de Amsterdamse School als nieuwe bouwstijl wel kon waarderen.

Van Halem ging op zoek naar wat er in 1928 in het Rijksmuseum te zien was. Het museum had toen een nieuwe opstelling van Frederik Schmidt-Degener, die sinds 1921 directeur was. Voor die tijd werden de wanden van plint tot plafond volgehangen met kunstwerken. Schmidt-Degener ging veel selectiever te werk, en maakte symmetrische ensembles met louter topstukken.

Van Halem: ''De symmetrie in het Rijksmuseum zie je een beetje terugkomen in Miró's keuze voor de genreschilderijen van Sorgh en Steen. Want die doeken zijn min of meer symmetrisch en kunnen zo als pendanten van elkaar worden gezien.''
En heeft Van Halem kunnen achterhalen welk werk uit de Gouden Eeuw als voorbeeld diende voor het derde schilderij? ''Men heeft lang gezocht naar de herkomst van het derde Dutch interior. Er blijkt geen rechtstreeks verband te zijn met een zeventiende-eeuws doek. Er is een brief van Miró, waarin hij schrijft dat het werk niet teruggaat op een specifiek voorbeeld, maar dat het gezien kan worden als een synthese van de twee andere Dutch interiors.''

Met dat in gedachte kunnen allerlei onderdelen in het derde doek inderdaad worden herleid tot de andere composities. ''Miró vermengde die elementen met zijn schilderij van een Spaanse danseres uit 1924. Zo worden de Dutch interiors van Miró een denkbeeldig drieluik van muzikanten die een danseres begeleiden.'' (KEES KEIJER)

Miró en Jan Steen, Rijksmuseum Tot en met 13 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden